Historicus, antirevolutionair staatsman (Voorburg 21 augustus 1801 – Den Haag 19 mei 1876)
Guillaume Groen van Prinsterer, roepnaam: Willem, was een telg uit een welgesteld patriciërsgeslacht. Na scholen in Den Haag, Haarlem en Utrecht te hebben bezocht, ging hij in Leiden rechten en letteren studeren, met als resultaat een dubbele promotie in 1823. Groen werd advocaat, maar hij ambieerde een universitaire leerstoel. Die bleef echter buiten bereik. In 1827 werd hij secretaris van koning Willem I.
Een jaar later trouwde Groen met Elizabeth (‘Betsy’) van der Hoop die grote invloed had op zijn geloofsbeleving: het verstand werd meer en meer door het hart verdrongen. Ook hofpredikant J.H. Merle d’Aubigné moet in dit verband worden genoemd. Hij maakte Groen bewust van de principiële tegenstelling tussen de Reformatie en de idee van volkssoevereiniteit die aan de Franse Revolutie ten grondslag lag. Al het gezag was van God afkomstig. Een staat die geen rekening hield met God, met zijn Woord en zijn Hand in de historie, was gedoemd in tirannie te ontaarden.
Groen was vóór alles historicus – een hartstocht die tot heilige plicht werd. Hij zag het als zijn taak te beschrijven hoe Gods wil in de geschiedenis tot uitdrukking kwam, in het licht van de bijbel. ‘Daar staat geschreven, daar is geschied,’ luidde Groens credo. De Nederlandse natie was, blijkens haar geschiedenis, protestants. Van deze geest diende ook de staatsinrichting, de scholen en de kerken doortrokken te zijn. Dit was de strekking van het Handboek der geschiedenis van het vaderland dat Groen in 1846 voltooide en vele jaren zijn weg naar de orthodox-protestantse gezindte zou vinden. Fundamenteler, maar minder gelezen, was zijn Ongeloof en revolutie, een bundeling van een serie voordrachten die in 1847 verscheen. Revolutie was vrucht van ongeloof, een geestelijke omwenteling die het christendom verwierp. Als waarheid en recht verdwenen, werd de weg vrijgemaakt voor machtsmisbruik en excessief geweld.
Deze antirevolutionaire boodschap ging Groen ook uitdragen in de Tweede Kamer waarvan hij in 1849, na de grondwetswijziging, lid was geworden. Christelijk onderwijs werd zijn speerpunt. De staatsschool moest uitdrukking zijn van het protestantse karakter van de natie. De schoolwet-Van der Brugghen, die in 1857 werd aangenomen, voorzag echter in een neutrale staatsschool. Groen was zo teleurgesteld dat hij zijn kamerlidmaatschap neerlegde en zich buitenparlementair ging inzetten voor particulier christelijk onderwijs.
In 1862 keerde Groen in de Kamer terug, meer uit roeping dan uit politieke ambitie. ‘Geen staatsman, maar evangeliebelijder,’ noemde hij zichzelf. Zijn woord had gezag, maar zijn aanhang was gering. Groen is dan ook wel gekenschetst als ‘een veldheer zonder leger’. Toen hij de politiek in 1871 vaarwel zegde stond zijn opvolger klaar: Abraham Kuyper, die de massa wel zou weten te bereiken.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
31 oktober 2008
Verder lezen
G.J. Schutte, Groen van Prinsterer (Goes 1977)
R. Kuiper, ‘Tot een voorbeeld zult gij blijven’. Mr. G. Groen van Prinsterer 1801-1876 (Amsterdam 2001)
Archieven
Collectie-Groen van Prinsterer, Nationaal Archief Den Haag
Informatie op internet
Biografisch Woordenboek van Nederland
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren
Parlement & Politiek