Boeteprediker van de Nadere Reformatie (Zwammerdam 1705 - Kralingen 24 juni 1784)
Vooral dankzij Petrus Hofstede, zijn gezworen vijand, is Van der Groe de geschiedenis ingegaan als een onverbeterlijke kankerpit. In de kring van de Afscheiding werd de bevindelijke predikant echter geprezen. Hij gold er als ‘Neerlands laatste ziener’ – de laatste apostel van de nadere reformatie, verpersoonlijking van de tenondergaande gereformeerde kerk. ‘Van der Groe doet het hekje toe,’ luidde het gezegde. Hij werd op 16 september 1705 geboren als Dirk van der Groe. Rond 1712 verhuisde het gezin van Zwammerdam, waar zijn vader predikant was, naar Leiden. Hier bezocht Dirk de lagere school, vervolgens de latijnse school. In 1724 schreef hij zich in als student theologie aan de Leidse universiteit waarbij hij zijn voornaam verlatiniseerde tot Theodorus. Weinig wees nog op zijn latere, nader-reformatorische reputatie want Van der Groe hing aan de lippen van hoogleraar Taco Hajo van den Honert, een volgeling van de rationalistische Coccejus.
In 1730 werd Van der Groe als predikant bevestigd in Rijnsaterwoude, vlakbij Woerden. Moeder, zus Eva en broer Simon kwamen met de jonge dominee mee. Simon, die ook theologie was gaan studeren, werd in 1732 beroepen in Zoeterwoude en verliet de Rijnsaterwoudse pastorie, samen met zijn moeder. Twee jaar later, na Simons huwelijk, trok ze weer bij haar oudste, nog ongetrouwde zoon in. Die bekeerde zich korte tijd later, onder invloed van een naaister uit Oude Wetering, tot het orthodox-bevindelijke geloof, in navolging van zijn zus.
Van der Groe getuigde niet alleen op de kansel van zijn bekering. Onder de verzameltitel De oude orthodoxe leer der ware gereformeerde kerke schreef hij in 1739 en 1740, onder pseudoniem, een reeks brieven waarin hij het postuum opnam voor Jan Willemsz Eswijler, een weeshuisvader uit Hoorn. Na heruitgave van zijn Zielseenzame meditatiën was Eswijler door een Rotterdamse predikant als een dwaalgeest uit de hoek van Spinoza veroordeeld. Van der Groe trad voor Eswijler in het krijt, maar werd pas in 1756, toen hij met Hofstede slaags was geraakt, als de brievenschrijver ontmaskerd.
In 1740 aanvaardde Van der Groe een beroep naar Kralingen waar hij tot een kritische benadering van de bevindelijke geloofscultuur kwam. Hij nam openlijk afstand van de ‘gevoelige tekenen van de wedergeboorte’ waaraan het eenvoudige volk zich vastklampte, de nadruk leggend op ‘stellig weten’ en ‘vast vertrouwen’. Opschudding was het gevolg: Van der Groe werd verweten een ‘geloof zonder werkzaamheid’ te verkondigen. Zeven jaar later, in 1749, karakteriseerde hij de Nijkerkse beroeringen, een uitbarsting van heftige bekeringen, als piëtistische geestdrijverij. Zijn kritiek leidde tot het tweedelige werk Toetssteen der ware en valse genade dat in 1752 en 1753 verscheen en waarmee Van der Groes zijn naam als theoloog definitief vestigde. Het zaligmakende werk van de Heilige Geest scheidde hij daarin scherp van het schijnheilige werk van ‘geveinsden’.
In 1754, enkele dagen voor zijn 49e verjaardag, trad Van der Groe in het huwelijk met de Rotterdamse Johanna Cornelia Bichon, telg uit een schatrijke familie. Haar broer was in de Maasstad een vooraanstaand magistraat, diens vrouw een zuster van de vrouw van Petrus Hofstede, met wie Van der Groe een jarenlange vete ging uitvechten. Die begon met een beroepingsconflict. De Rotterdamse kerkenraad keerde zich tegen de bemoeienis van het stadsbestuur bij de vervulling van een vacature, hiertoe geadviseerd door Van der Groe. Hofstede stond echter achter het stadsbestuur. Het conflict kwam terecht in de maalstroom van de theologische spanningen die bevindelijk Nederland in de greep hadden, waarbij Van der Groe alsnog werd ontmaskerd als apologeet van Eswijler. In zijn satirische reeks Kralingiana haalde Hofstede zijn Kralingse collega genadeloos over de hekel. Van der Groe werd neergezet als hypocriete ‘fijne’, hem tot mikpunt makend van de spot en hoon van de verlichte burgerij.
Van der Groes betrokkenheid bij volgende polemieken, onder meer met Comrie, bevestigde het beeld van een rechtlijnige en negativistische prediker. Volgens Graafland, afkomstig uit de kring van de Afscheiding, hanteerde Van der Groe de boodschap van de reformatie liever als een zweep die de wonden van kleingeloof en twijfel alleen maar groter maakte dan als een inspirerende en balsemende heilsbazuin. Tot op de dag van vandaag heeft Van der Groe, die tot zijn dood in Kralingen bleef staan, in bevindelijke kringen nog aanhangers, zijn ‘afsnijdende’ prediking koesterend.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
23 september 2009
Verder lezen
H. Florijn, ‘Theodorus van der Groe (1705-1784), in: W. van ’t Spijker e.a., Oude Schrijvers. Een Kennismaking (Houten 1997) 313-335