Christelijk-historisch politicus (Groningen 14 december 1870 – Soest 27 november 1960)
Dirk Jan de Geer was een telg uit een adellijk geslacht. Zijn vader was hervormd predikant die in Dirk Jans geboortejaar, 1870, in Groningen stond. Zes jaar later aanvaardde hij een beroep naar Rotterdam waar Dirk Jan het gymnasium bezocht. Nadat zijn vader in 1885 met emeritaat was gegaan, verhuisde het gezin naar Velp. Dirk Jan vervolgde zijn gymnasiumopleiding in Arnhem, waarna hij in Utrecht rechten ging studeren. In 1895 promoveerde hij er cum laude.
In 1901 werd De Geer voor de CHU gemeenteraadslid in Rotterdam, in 1907 Tweede-Kamerlid, een jaar later gedeputeerde van Zuid-Holland. In 1920 werd De Geer burgemeester van Arnhem, maar niet voor lang. Een jaar later trad hij als minister van financiën tot het tweede kabinet-Ruijs de Beerenbrouck toe. In 1923 nam De Geer, die een pacifistische inborst had, ontslag omdat hij zich niet met de Vlootwet kon verenigen. In de wandelgangen werd zijn motivering in twijfel getrokken. De Geer, een nerveuze perfectionist die zich vaak verloor in details en slecht met tegenslagen en kritiek kon omgaan, zou niet zijn opgewassen tegen de financiële perikelen, gevolg van economische recessie.
De Geer keerde in augustus 1925 terug als bewindsman, op het departement van binnenlandse zaken en landbouw. Het kabinet, dat onder leiding stond van Colijn, ging drie maanden later in de Vaticaancrisis ten onder waarna de formatie van een nieuwe ministersploeg zich maandenlang voortsleepte. Door middel van een geheime formatieopdracht bracht De Geer in maart 1926 een nieuw kabinet tot stand, zonder Colijn die zich geschoffeerd voelde. Met de bries van een voorspoedige economische ontwikkeling in de rug zat het kabinet-De Geer de volle rit tot 1929 uit. De Geer beheerde de portefeuille van financiën en bracht onder meer de motorrijtuigenbelastingwet tot stand.
In 1929 werd hij opnieuw minister van financiën, in het derde kabinet-Ruijs de Beerenbrouck dat door de economische wereldcrisis werd overvallen. Na vier zware jaren, waarin bleek dat De Geer geen geschikte kapitein bij zwaar weer was, ging hij terug naar de Kamer. Hij werd voorzitter van de christelijk-historische fractie, in welke hoedanigheid hij de opeenvolgende kabinetten-Colijn loyaal steunde.
Na de val van Colijn, in de zomer van 1939, stelde De Geer zich aan het hoofd van Nederlands eerste kabinet waarin sociaal-democraten zitting hadden. Na de Duitse inval in Polen, september 1939, bood De Geer, op het terrein van de internationale politiek nauwelijks bekend, Colijn tot twee keer toe het premierschap aan. Colijn weigerde. Na de Duitse inval in Nederland, mei 1940, was De Geer het stuur volledig kwijt. Op 14 mei vertrok het kabinet in grote verwarring naar Londen waar De Geer zich volledig ontheemd voelde. Denkend dat de Duitsers de oorlog hadden gewonnen bepleitte hij vredesonderhandelingen. Hij verloor het vertrouwen van koningin Wilhelmina die hem in augustus 1940 dwong ontslag te nemen.
De Geer werd een eervolle aftocht geboden; hij zou met een regeringsopdracht naar Indië vertrekken. Hij keerde echter naar Nederland terug, met toestemming van de Duitsers die er propagandistische munt uit sloegen. Door de Londense regering werd hij van desertie beschuldigd, in Nederland werd hij door vrijwel iedereen gemeden. Publicatie in 1942 van De synthese in den oorlog, een nieuw pleidooi voor een vredesverdrag met Duitsland, ruïneerde De Geers reputatie definitief.
Na de bevrijding werd De Geer veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij werd ontslagen als minister van staat en moest zijn onderscheidingen inleveren. Tot zijn dood, in 1960, zou hij voor eerherstel ijveren.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
31 oktober 2008
Verder lezen
J. Bosmans, ‘Geer, jhr. Dirk Jan de (1870-1960))’, in: Biografisch woordenboek van Nederland, III (Den Haag 1989)
H. van Osch, Jonkheer D.J. de Geer. De teloorgang van een minister-president (Amsterdam 2007)
Archieven
Familiearchief De Geer, Nationaal Archief Den Haag.
Informatie op internet
Biografisch Woordenboek van Nederland
Parlement en politiek