Geelkerken, Johannes Gerardus

johannes geelkerken.JPG

Gereformeerd predikant, oprichter van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (Alkmaar 13 juni 1879 - Amsterdam 3 februari 1960)

Geelkerken was Alkmaarder van origine. Lang woonde het gezin niet in de kaasstad. Het verhuisde kort na Geelkerkens geboorte naar Utrecht waar zijn vader tot notaris was benoemd. In 1886 ging het gezin mee met de Doleantie; vader was een van de stichters van de Utrechtse gereformeerde kerk, maar vond het niet nodig zijn zoon van de hervormde lagere school te halen. De keuze van diens vervolgopleiding was wel door het beginsel ingegeven: Geelkerken ging naar het gereformeerd gymnasium in Amsterdam. Om hem het heen en weer reizen te besparen verhuisde het gezin korte tijd later naar de hoofdstad.

In 1899 ging Geelkerken er theologie studeren aan de Vrije Universiteit. Tien jaar later promoveerde hij cum laude op het proefschrift De empirische godsdienstpsychologie. Hierin betoogde Geelkerken dat de psychologie, maar ook de wijsbegeerte en de geschiedwetenschap de theologie goede diensten konden bewijzen, met dien verstande dat ze haar nooit konden vervangen. Het proefschrift trok een zware wissel op Geelkerken. Tijdens het schrijven kwam hij in conflict met zijn promotor, Bavinck, vervolgens met de theologische faculteit. Een door de Gemeentelijke Universiteit uitgeschreven prijsvraag over het onderwerp dat hij bestudeerde deed Geelkerken zijn dissertatie uiteindelijk voltooien, maar hij greep naast de prijs. Een zware inzinking volgde. Voor een aangenomen beroep, naar Purmerend, moest hij alsnog bedanken. Zijn herstel vergde meer dan een jaar.

In 1911 werd Geelkerken in Epe bevestigd. Vier jaar later vertrok hij naar Amsterdam-Zuid, een gemeente waar onder jongeren opgeld doende opvattingen over vernieuwing van het kerkelijk leven voor spanningen zorgden. Geelkerken steunde deze opvattingen. In 1920 bekritiseerde hij in een preek een ‘getuigenis’ van de gereformeerde synode waarin afstand werd genomen van de ‘critiek der jongeren’. De gevestigde orde sprak er schande van, wat voor de onverschrokken Geelkerken allerminst reden was zich te matigen. Bepaald niet vrij van zelfingenomen trekken liet hij zich de profetenmantel maar wat gaarne door de jonge nieuwlichters omhangen. In woord en geschrift maande hij de gereformeerde kerken de deuren te openen en het zoutend zout in de wereld te zijn.

Een preek over Genesis 3, het hoofdstuk waarin Eva in het paradijs door de slang wordt verleid tot het eten van een appel van de boom van goed en kwaad, zette de verhoudingen verder onder druk. Volgens Geelkerken bracht het verhaal ‘eigenaardige moeilijkheden’ met zich mee. Zelf geloofde hij dat het letterlijk zo was gebeurd, maar hij wilde ook gezegd hebben dat de zondeval overdrachtelijk kon worden uitgelegd. Een klacht van een gemeentelid betekende het begin van een twee jaar durende procedure die in maart 1926 eindigde met de afzetting van Geelkerken.

Vervolgens verliet hij, samen met twaalf andere predikanten, de gereformeerde kerk en richtte de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband op die zo’n zevenduizend leden ging tellen. In 1946 sloot het kerkgenootschap zich bij de Nederlandse Hervormde Kerk aan, een gebeurtenis waarmee Geelkerken jaren van met hart en ziel verrichte arbeid bekroond zag worden. In 1967 trok de gereformeerde synode de vier decennia eerder gedane leeruitspraak over het spreken van de slang in, wat als eerherstel van Geelkerken kon worden beschouwd. Zelf kon hij dit genoegen niet meer smaken. Hij was zeven jaar eerder, in 1960, overleden.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
23 februari 2009

Verder lezen
G.F.W. Herngreen, Een handjevol verkenners. Ontstaan en geschiedenis van het ‘H.V.’, de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband (Baarn 1976)
G. Harinck (red.), De kwestie-Geelkerken. Een terugblik na 75 jaar (Barneveld 2001)

Informatie op internet
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren