Douma, Jochem

douma.JPG

Theoloog, hoogleraar ethiek (Stadskanaal 23 november 1931)

Toen hij bijna veertien jaar oud was scheurde de kerk en ging het gezin met Schilder mee. ‘Ik zie na de Vrijmaking nog mijn vader voor de boekenkast staan. Kuyper was niet veel meer, mensen deden zijn boeken massaal weg. Je kon ze voor een paar gulden krijgen.’ Ook de jonge Jochem was volbloed Schilderiaan. Verwijten hoe treurig het wel niet was dat de kerk in de oorlog spleet vond hij onbegrijpelijk, ‘omdat de kerk zo’n essentieel deel van het leven was.’

Jochem Douma’s jeugd werd gedomineerd door ziekte: tbc. Rust en frisse lucht waren de remedies. ‘Op mijn twintigste had ik een op de vier dagen van mijn leven op bed gelegen.’ Tijd te over om te lezen, alle geschriften waarin de synode en Schilder elkaar in de bezettingsjaren theologisch te lijf gingen inbegrepen. Jochems vader, hoofd van de school met de bijbel in Stadskanaal, stond met hart en ziel achter de Kamper theoloog. Ook zat hij in het verzet. Strijd op twee fronten die het schoolhoofd, een emotionele man, zeer aangreep en de sfeer thuis domineerde.

In augustus 1944, nadat de geschorste Schilder vanaf de kansel van de Haagse lutherse kerk de ‘acte van vrijmaking en wederkering’ had voorgelezen, was de scheuring een feit. In Stadskanaal ging een derde van de gereformeerde kerk met de Vrijmaking mee, kerkend in de school van Douma. Zoon Jochem koesterde de frisse sfeer en de sterke eindtijdverwachting, en besloot theologie te gaan studeren. Hij begon zijn studie aan de (vrijgemaakte) Theologische Hogeschool in Kampen, om zijn doctoraalexamen aan de Universiteit van Amsterdam te behalen, onder de hoede van de hervormde theoloog Van Niftrik.

Studerend aan de hoofdstedelijke universiteit opende zich een nieuwe wereld waarin de vrijgemaakt-gereformeerde jongeman uit Groningen meer dan eens de seculiere maat werd genomen. ‘Toch ben ik in mijn geloofsovertuiging nooit geschokt,’ zei hij later. ‘Ik ben er als gereformeerde jongen heengegaan en er als gereformeerde jongen vandaag gekomen.’

Op zijn studie volgde een predikantschap in Rijnsburg waar Douma in 1961 werd bevestigd. Ondertussen werkte hij aan zijn proefschrift, over de gemene gratie bij Calvijn, Kuyper en Schilder waarvoor hij weer terugkeerde naar de Kamper Hogeschool. Tijdens zijn dissertatieonderzoek las hij alles wat van Kuyper in het laatste oorlogsjaar uit menig vrijgemaakte boekenkast was verwijderd. Het maakte diepe indruk: de genialiteit en de veelomvattendheid. Het opende Douma, die in 1966 promoveerde en wiens dissertatie vier drukken beleefde, de ogen voor het exclusivisme dat de vrijgemaakte kerken regeerde, zonder dat hij de beslissing van 1944 ter discussie wilde stellen. Die was onvermijdelijk, want ‘niet de synode regeert de kerk, maar Gods Woord.’

In het jaar dat Douma in de doctorsstand werd verheven, 1966, brak in de vrijgemaakte kerken een conflict uit. Daarin preekte Douma matiging en verzoening, maar zijn pacificerende optreden voorkwam niet dat lidmaten wegliepen of buiten het kerkverband werden geplaatst. Ze sloten zich aaneen in de Nederlands Gereformeerde Kerken die openstonden voor toenadering tot niet-vrijgemaakten, de synodalen inbegrepen. De scheuring ging Douma niet in de koude kleren zitten. Dat mensen uit de gesloten veste van de vrijgemaakte kerken wilde breken kon hij begrijpen, maar dat ze vervolgens de deur naar de gereformeerde kerken openden vond hij onbegrijpelijk. ‘In een kerkverband dat mensen als Kuitert en Den Heijer tolereert kan ik mij nooit thuisvoelen.’

In 1970 werd Douma in Kampen hoogleraar ethiek, in welke hoedanigheid hij het kabinet in 1978 en 1994 adviseerde over het vraagstuk van vaccinatie tegen polio. Vanaf 1993 was Douma ook werkzaam aan de Vrije Universiteit, als bijzonder hoogleraar medische ethiek. Voorts was hij voorzitter van de Vereniging ter Bescherming van het ongeboren kind. Als Douma’s hoofdwerk geldt de vijftiendelige Ethische bezinning. Invloedrijk was ook zijn wekelijkse column Moreel Beraad in het Nederlands Dagblad. Toen Douma eind 2008, na 22 jaar, een punt achter de column zette, gaf hij uiting aan zijn zorgen over de onverschilligheid binnen de vrijgemaakte kerken. Het exclusivisme van eertijds was radicaal in het tegendeel verkeerd. ‘Het hele kerkverband doet er opeens niet meer toe, het evenwicht is zoek.’ Er moest volgens Douma een tussenweg worden gevonden. ‘We hebben mensen van formaat zoals Piet Jongeling nodig, om sturing te geven.’

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
4 augustus 2009

Verder lezen
D. Mak, ‘Bibliografie’, in: Fides Quadrat Intellectum, Almanak 1986, 167-193
J.H.F. Schaeffer e.a. (red.), Nuchtere noodzaak, ethiek tussen navolging en compromis (Kampen 1997)

Informatie op internet
Dick Schinkelshoek, ‘De deur die Douma opende’