Minister van justitie, president van de Hoge Raad (Assen 3 februari 1891 - Den Haag 2 februari 1981)
Jan Donner was een nazaat van ‘1834’, het jaar waarin orthodox-gezinden de Nederlandse Hervormde Kerk de rug toekeerden; zijn grootvader en vader dienden de afgescheidenen als predikant. Jan koos niet voor de kansel. Nadat hij in 1908 het gereformeerd gymnasium in Kampen had doorlopen besloot hij rechten te gaan studeren.
Jan ging niet naar de gereformeerde Vrije Universiteit, maar naar de openbare rijksuniversiteit in Utrecht. In Amersfoort, waar zijn vader sinds 1897 predikant was, werden de nodige wenkbrauwen gefronst. De keuze voor de Utrechtse universiteit lag echter in de lijn van ‘1834’. De afgescheidenen mochten zich in 1892 hebben verenigd met Abraham Kuypers dolerenden die de hervormde kerk in 1886 hadden verlaten, ‘kuyperianen’ waren de Donners allerminst. Jans grootvader had samen met Kuyper in de Tweede-Kamerbanken gezeten en in het conflict met De Savornin Lohman de zijde van Abraham de Geweldige gekozen. Maar Kuypers heilige organisatiedrang en theologische systeembouw deelde hij niet; diens flamboyante en heerszuchtige karakter stond hem ook tegen.
Kleinzoon Jan bleek een geboren jurist. Al na vier jaar verliet hij de Utrechtse universiteit met de doctorstitel. Vervolgens ging hij zich in Leiden aan de staatswetenschappen wijden, een studie die hij in 1919 opnieuw met het doctoraat afrondde. Beide keren promoveerde Donner overigens op stellingen. Hij had niet de lust zich in een proefschrift aan theoretische bespiegelingen over te geven; de juridische praktijk trok veel meer.
Dus lag een ambtelijke loopbaan voor de hand. Die was al begonnen voordat Donner zijn Leidse studie had afgerond. In 1916 was hij commies-redacteur van de gemeentesecretarie in Deventer geworden, een jaar later hoofdcommies van de Rotterdamse gemeentesecretarie. In 1920 werd Donner directeur van het Centraal Bureau voor voorbereiding van ambtenarenzaken in Den Haag. Ook deze functie vervulde hij niet lang. In 1922 haalde minister van justitie Heemskerk hem naar zijn departement; hij benoemde Donner tot raadadviseur, het hoogste ambt na dat van secretaris-generaal. De maatschappelijke ladder zou nóg hoger reiken. In 1926 werd Donner minister van justitie in het kabinet-De Geer. Bedenkingen over zijn jonge jaren – hij was net 34 geworden – en zijn gemis aan politieke ervaring logenstrafte Donner met glans. Inzet, ijver en analytisch vermogen bezorgden hem groot gezag, zij het dat zijn parlementaire vertogen als langdradig en wijdlopig werden ervaren.
Na de verkiezingen van 1929 stond voortzetting van Donners ministerschap buiten kijf. Zo rimpelloos de kabinetsjaren onder De Geer waren verlopen, zo krachtig werd de tegenwind onder diens opvolger Ruijs de Beerenbrouck. De diepe economische dwong tot ingrijpende bezuinigingen, Donners departement niet uitgezonderd. Een wetsvoorstel dat voorzag in de opheffing van een aantal arrondissementsrechtbanken en kantongerechten bracht Donner begin 1933 in botsing met de Tweede Kamer. Het kabinet ging achter de minister staan, met als gevolg vervroegde verkiezingen die ‘sterke man’ Colijn aan het bewind brachten. Donner besloot de politiek vaarwel te zeggen. Ambteloos bleef hij niet lang. In juli 1933 werd hij benoemd tot raadsheer in de Hoge Raad, Nederlands hoogste rechtscollege.
De oorlog bracht Donner in een lastig parket. Menigeen verwachtte van de Hoge Raad een krachtige houding tegenover de bezetter, maar formalisme en lijdzaamheid waren doorgaans regel. In zijn hoedanigheid van voorzitter van het Convent van kerken hield Donner de rug recht, maar het duurde tot februari 1944 voordat hij ontslag nam uit de Hoge Raad, na herhaaldelijk te zijn aangesproken door zijn zoons André en Reynout die beiden in het verzet zaten.
Na de bevrijding keerde Donner in de Hoge Raad terug. In november 1946 werd hij tot president benoemd, een functie die hij tot zijn pensionering in 1961 zou vervullen. Als president-curator drukte hij ruim twintig jaar lang, tot 1966, een groot stempel op de Vrije Universiteit. Ook was hij actief in de ARP, weliswaar achter de schermen, maar invloedrijk. In 1971 werd Donner tot minister van staat benoemd. Oudste zoon André trad in zijn voetsporen en bouwde een even grote naam als jurist op. Hein, de jongste zoon, werd bekend als schaker. Kleinzoon Piet Hein is sinds 2002 minister.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
9 februari 2009
Verder lezen
J. de Ruiter, Jan Donner. Een biografie (Amsterdam 2003)
Informatie op internet
Biografisch Woordenboek van Nederland
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren
Parlement & Politiek