Comrie, Alexander

comrie.JPG

Schots gereformeerd predikant (Perth 16 december 1706 - Gouda 10 december 1774)

In zijn biografisch woordenboek zette Van der Aa hem ooit neer als een driftige predikant die zijn hartstochten dusdanig de vrije loop liet ‘dat zijn naam onder de grootste onruststokers in de hervormde kerk bekendstaat’. Alleen al het feit dat Alexander Comrie zijn hele werkzame leven één gemeente diende lijkt hiermee in tegenspraak. Achtendertig jaar lang stond hij in het Zuid-Hollandse Woubrugge, meerdere keren bedankte hij voor een beroep, wat allerminst op rusteloosheid lijkt te wijzen. Hij trad in het krijt tegen de rationalistische geest van de achttiende eeuw, zonder zich tot aanhanger van Voetius of tot tegenstander van Coccejus te verklaren. ‘Mijn getuigenis is in de hemel,’ zei Comrie, ‘die weet welke afschrik ik van alle scheurzieke geesten heb.’

Alexander Comrie was Schot van geboorte. Zijn wieg stond vlakbij Dundee, in Perth, waar zijn vader procureur was. Zijn overgrootvader van moederszijde, Andrew Gray, was een vermaard prediker. Het heeft er alle schijn van dat de jonge Alexander ook voor het predikantschap was voorbestemd. Zijn vader stuurde hem naar het gymnasium (grammar school) waarna Comrie in Edinburgh theologie ging studeren, hiertoe geïnspireerd door de in hoog aanzien staande broers Ralph en Ebenezer Erskine bij wie hij catechisatie liep.

Rond zijn twintigste brak Comrie zijn theologiestudie af, waarschijnlijk omdat zijn vader in geldnood was geraakt. Comrie senior bracht zijn zoon bij een handelsfirma in Edinburgh onder. De handel voerde hem de Noordzee over, naar Rotterdam. Comrie werd er werkzaam op het kantoor van Adriaan van der Willigen, een godvruchtige koopman die algauw in de gaten kreeg dat Comries hart naar de theologie uitging. Samen met een aantal vrienden bracht hij een som geld bij elkaar en stelde Comrie in staat zijn theologiestudie voort te zetten. Eerst studeerde hij in Groningen, vervolgens in Leiden waar hij in 1734 promoveerde, op een filosofisch proefschrift dat afstand nam van de opvattingen van Descartes.

Een jaar later aanvaardde Comrie een beroep naar Woubrugge, een gemeente waar de geest van de Nadere Reformatie stevig had wortelgeschoten. Hij ontpopte er zich als een kanselredenaar van formaat, hoewel zijn Nederlands gebrekkig was. Voor pastoraal werk had Comrie minder belangstelling, in het besturen van de gemeente was hij ronduit zwak. Een conflict met de vrijheren van Woubrugge, die vergaande bevoegdheden claimden bij de beroeping van predikanten, liet Comrie op zijn beloop. Zijn geschipper tussen kerkenraad en wereldlijke overheid had tot gevolg dat de kwestie zich jarenlang voortsleepte.

Resoluter toonde Comrie zich op theologisch terrein. In ruim twintig publicaties nam hij stelling tegen het Verlichtingsdenken dat de theologische faculteiten en kerkelijke gremia domineerde. Tussen 1753 en 1759 schreef hij samen met Nicolaas Holtius, predikant in het naburige Koudekerke, tien anonieme samenspraken waarin de gebrekkige rechtzinnigheid scherp aan de kaak werd gesteld. De drukker gaf uiteindelijk hun namen prijs waarna verdere publicatie van hogerhand werd verboden.

In zijn werken legde Comrie de nadruk op de ‘hebbelijkheid’ van het geloof. Hieronder verstond hij het vermogen, door de Heilige Geest uitgestort in het hart van uitverkorenen, Gods Woord te ontvangen. Theologen die het geloofsheil ophingen aan het verrichten van goede daden veroordeelde hij als remonstrantse dwaalleraars. Ruim een eeuw later zou Kuyper bij Comries genadebegrip aanknopen. Ook vond het zijn weg naar de gereformeerde gemeenten.
 
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
15 juli 2009

Verder lezen
A. G. Honig, Alexander Comrie (Utrecht 1892)
C.J. Meeuse, ‘Alexander Comrie (1706-1774)’, in: W. van ’t Spijker e.a., Oude schrijvers. Een kennismaking (Houten 1997) 293-312

Informatie op internet
Reformatorisch Dagblad