Coccejus, Johannes. Theoloog, filoloog en hoogleraar. (Bremen 9 augustus 1603 - Leiden 5 november 1669)
Johannes Coccejus was Duitser van geboorte; hij was de zoon van de stadssecretaris van Bremen. In de Noord-Duitse stad studeerde hij filologie, theologie en filosofie. In 1626 zette Coccejus zijn studie voort aan de Academie van Franeker waar hij in aanraking kwam met de zeven jaar eerder, op de synode van Dordrecht vastgelegde gereformeerde orthodoxe leer. In 1630 werd Coccejus hoogleraar in Bremen, als opvolger van zijn overleden leermeester Martinius. In zijn inaugurele rede nam hij afstand van het gangbare wijsgerig-theologische denken en bepleitte hij een voorname plaats voor de taalwetenschap in de bijbeluitleg. Filologie immers, betoogde Coccejus, was de grondslag van alle tekstverklaring, de bijbel niet uitgezonderd. De Heilige Schrift was een gecompliceerde tekst die niet altijd letterlijk kon worden opgevat; om haar betekenis te doorgronden waren taalwetenschappers onontbeerlijk.
Beschuldigingen dat hij de deur opende naar een ondogmatische theologie waarin willekeur de boventoon voerde, wees Coccejus van de hand. In zijn bijbeluitleg stonden twee dingen immer centraal: de leiding van de Heilige Geest en de eenheid van de beide testamenten. Zijn filologische methodiek stond in dienst van de theologie en geloofsbeoefening – niet andersom.
Coccejus trok in 1636 opnieuw naar de Academie van Franeker en werd hoogleraar Hebreeuws. Zeven jaar later ging hij er ook theologie doceren. In 1650 vertrok hij naar Leiden waar hij op 4 oktober als hoogleraar in de theologie inaugureerde. Hij kwam er in de tweede helft van de jaren vijftig in conflict met collega-hoogleraar Johannes Hoornbeeck, een medestander van de vooraanstaande rechtzinnige theoloog Voetius. Hoornbeeck keerde zich tegen Coccejus’ vrijzinnige opvatting van de zondagsheiliging waarin arbeid en andere lichamelijke verrichtingen niet uit den boze waren. Het conflict groeide uit tot een strijd die in verbetenheid en veelomvattendheid weinig onderdeed voor het gevecht tussen arminianen en gomaristen vijftig jaar eerder (zie: Arminius en Gomarus). Opnieuw verdeelde de godgeleerdheid de Nederlandse kerk, politiek en maatschappij in twee kampen: coccejanen versus voetianen, rekkelijken versus preciesen.
Coccejus, die conflicten liever uit de weg ging, zag het allemaal met lede ogen aan. Hij probeerde het geschil tot de wetenschap te beperken, maar zijn tweespalt met Hoornbeeck en Voetius kreeg een eigen dynamiek, niet in het minst omdat de coccejaanse leer dwarsverbindingen kreeg met de opkomende nieuwe filosofie en wetenschap. Coccejus stierf in 1669 – hij viel ten prooi aan de laatste grote pestepidemie die de Nederlanden teisterde – maar de theologische twisten zouden nog tientallen jaren voortwoekeren.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
13 november 2008
Verder lezen
F.G.M. Broeyer en E.G.E. van der Wall (red.). Een richtingenstrijd in de gereformeerde kerk. Voetianen en coccejanen 1650-1750 (Zoetermeer 1994)
W.J. van Asselt, Coccejus. Een inleiding met kernteksten (Kampen 2008)
Informatie op internet
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren