Barth, Karl

barth.JPG

Zwitsers theoloog (Bazel 10 mei 1886 - Bazel 10 december 1968)

Hij is zonder enige twijfel de belangrijkste theoloog van de twintigste eeuw. Van 1922, toen de tweede herziene uitgave van zijn Römerbrief verscheen, tot zijn dood in 1968 domineerde de Zwitser het theologisch debat. De negen delen van zijn Kirchliche Dogmatik staan nog steeds als vuurbakens aan de protestants-theologische hemel. Karl Barth werd geboren in 1886. Drie jaar na zijn geboorte verhuisde het gezin van Bazel, waar vader Fritz aan het theologisch seminarium doceerde, naar Bern waar hij tot privaatdocent dogmatiek aan de universiteit was benoemd. In de Zwitserse hoofdstad bezocht ‘Karli’ de lagere school, vervolgens het gymnasium waarvan zijn vader conrector was.

In 1904 schreef Barth zich in als student theologie aan de universiteit waar zijn vader inmiddels gewoon hoogleraar middeleeuwse kerkgeschiedenis was geworden. Godgeleerdheid was voor de jongeman zeker heel het leven niet. Hij had een enorme passie voor klassieke muziek, las veel historische literatuur en droeg gedichten voor. Na in 1906 zijn propedeuse te hebben behaald – hij liep colleges bij zijn vader – zette Barth zijn studie voort in Berlijn waar hij zich laafde aan de lessen van Adolf Harnack. Lezing van Kant zette Barth op het spoor van Wilhelm Herrmann wiens in 1901 verschenen Ethik hij verslond.

Na een jaar keerde Barth terug naar de Berner universiteit, maar niet voor lang. In het najaar van 1907 ging hij in Tübbingen studeren, om een halfjaar later naar de liberale theologische faculteit van Marburg te vertrekken waar Herrmann systematische theologie doceerde. Na in oktober 1908 in Berlijn zijn doctoraalexamen te hebben afgelegd keerde Barth weer terug naar Marburg. Hij volgde er colleges en was redactieassistent van Christliche Welt, een toonaangevend modern-theologisch tijdschrift. ‘Als een volledige Marburger ben ik het leven, de kerk en mijn verdere theologisch denken ingegaan,’ schreef Barth later, ‘om dan ongeveer zeven jaar later tot de ontdekking te komen dat het daarmee nu werkelijk afgelopen moest zijn.’

'Zeven jaar later', zomer 1916, was Europa in de greep van een verschrikkelijke oorlog die bij Barth, sinds 1911 predikant in het dorp Safenwil, een herbezinningsproces op gang bracht. Hoe was het toch mogelijk dat zowel de Duitsers als de Engelsen en Fransen God voor hun strijdkar spanden? Dat de Belgische en Noord-Franse vlakten in Zijn naam tot bloedakkers werden, gruwelvelden waarop de jeugd van Europa werd geofferd? Hij zocht het antwoord in de brief van Paulus aan de Romeinen. ‘Ik las en las, en schreef en schreef.’

Het leidde in 1919 tot de publicatie van de Römerbrief, samen met zijn boezemvriend Eduard Thurneysen die Barth in zijn studiejaren had leren kennen. ‘Bij het begin beginnen en eerst erkennen dat God God is,’ luidde hun boodschap. Radicaal afrekenen met de menselijke, rationalistische hoogmoed Gods bedoelingen te kennen, te begrijpen. Niet meer praten over God alsof je Boven op spreekuur was geweest. Want God kende de mens, maar de mens kon God niet kennen. Alleen uit de bijbel viel Zijn woord te kennen. God was ‘das ganz Andere’: te hoog, te groot, te diep. Nadat dit alles in de tweede druk van de Römerbrief, die in 1922 verscheen, in concretere bewoordingen was herhaald, begonnen Barth, inmiddels hoogleraar in Göttingen, en zijn ‘dialectische theologie’ opgeld te maken. Hij werd een veelgevraagd spreker, in binnen- en buitenland, terwijl ook het tijdschrift Zwischen den Zeiten, opgericht met Thurneysen en de Duitse lutherse theoloog Friedrich Gogarten, de nieuwe theologie verbreidde.

Barths academische carrière nam een hoge vlucht. In 1925 werd hij hoogleraar dogmatiek en nieuwtestamentische exegese in Münster, vijf jaar later werd hem een leerstoel aangeboden in de theologische faculteit van Bonn waar zijn ster verder rees. Zijn colleges zaten bomvol en de eerste twee delen van zijn monumentale Kirchliche Dogmatik zagen het licht. Barth, sinds 1931 lid van de Duitse socialistische partij, maakte ook naam door zijn verzet tegen het naziregime, allereerst tegen de Deutsche Christen die de kant van Hitler kozen. Ook Gogarten liet zich met de bruine revolutie meesleuren, voor Barth reden de uitgave van Zwischen den Zeiten te staken. ‘Verraad aan het evangelie,’ veroordeelde hij de opstelling van Gogarten.

Barth was een van de inspirators van de Bekennende Kirche die zich mei 1934 in het Berlijnse Barmen presenteerde. De zes thesen waarmee de kerk zich tegenover het naziregime positioneerde waren van Barths hand. Toen hij een halfjaar later weigerde de eed op de Führer af te leggen (als hoogleraar was hij overheidsdienaar) en vervolgens werd geschorst, waren Barths dagen in Duitsland geteld. In juli 1935 keerde hij terug naar zijn geboortestad Bazel. De theologische faculteit haalde hem onmiddellijk als hoogleraar binnen.

In de jaren die volgden raakten de Zwitserse kerkelijke - en wereldlijke autoriteiten steeds minder op Barths aanwezigheid gesteld. Hij aarzelde namelijk niet hun lauwheid ten opzichte van nazi-Duitsland aan de kaak te stellen. In september 1938, toen Hitler Tsjechoslowakije onder de voet dreigde te lopen, baarde Barth opzien door de verdediging van de Tsjechoslowaakse grenzen een christenplicht te noemen. Ook na het uitbreken van de tweede wereldoorlog, waarin zijn geboorteland angstvallig over zijn neutraliteit waakte, zweeg hij niet. In een aantal kantons werd Barth, die zich bij de vrijwillige landstorm had gemeld, een spreekverbod opgelegd.

Na de oorlog weigerde Barth zich, tot veler teleurstelling, aan te sluiten bij de strijd tegen het communisme. Anders dan het nationaal-socialisme deed het communisme zich niet als christelijk voor, redeneerde hij. Bovendien mocht het christendom zich niet met de politiek van het Westen vereenzelvigen. Principieel anticommunisme was een even groot kwaad als het communisme zelf, meende Barth. Het maakte hem tot middelpunt van controverses, terwijl ook zijn theologische standpunten onder vuur kwamen te liggen. Met zijn these dat God niet was te kennen deed hij de rol van de mens in het geloof te kort, zo werd betoogd. Voor aanhangers van de bevrijdingstheologie en aanverwante vooruitstrevenden, die in de jaren zestig steeds luider hun stem verhieven, was Barths transcendentale godsopvatting onaanvaardbaar. Keerzijde was dat zijn sociale opvattingen, geformuleerd tijdens zijn prille Safenwilse predikantsjaren waarin hij de arbeiderskwestie had omarmd, meer in de belangstelling kwamen te staan.

In Nederland vond Barths dialectische theologie aanvankelijk alleen in de hervormde kerk ingang, door toedoen van theologen als Noordmans, Miskotte, Buskes, Berkhof en Van Niftrik. Tijdens de Duitse bezetting ondernam de hervormde theologiestudente Hebe Kohlbrugge, actief voor het verzetsblad Vrij Nederland, een clandestiene reis naar Zwitserland, om van Barth te vernemen of men tegen de Duitsers mocht liegen. ‘Ja,’ antwoordde hij. ‘De gehoorzaamheid jegens de erkende wil van God heiligt elk middel.’ Na de oorlog won Barth ook in de gereformeerde kerken aan invloed. Berkouwer brak in 1954 met zijn boek De triomf der genade in de theologie van Karl Barth de gereformeerde ban over de Zwitserse theoloog.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
15 april 2009

Verder lezen
E. Busch, Karl Barth’s Lebenslauf (München 1978)
E. Jüngel, Barth-Studien (Gütersloh 1982)
C. van der Kooi, Als in een spiegel. God kennen volgens Calvijn en Barth (Kampen 2005)

Informatie op internet
Stichting Karl Barth