Proces dat eind negentiende eeuw leidde tot het ontstaan van zuilen in de Nederlandse samenleving.
Een zuil werd gevormd door een bevolkingsgroep en haar organisaties. Vanaf het einde van de negentiende eeuw ontstonden drie zuilen: de protestants-christelijke, de rooms-katholieke en de socialistische. Binnen de zuil functioneerden organisaties op het terrein van onderwijs, ontspanning en vermaak, media, politiek en het sociaal-economische leven. De verzuiling kwam tot stand om vermeende politieke en maatschappelijke achterstand weg te werken. Het oorspronkelijke doel was emancipatie van de bevolkingsgroep. Dit gold aanvankelijk voor een groep orthodox-protestanten die voor het grootste gedeelte verenigd waren in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze protestanten richtten onder leiding van Abraham Kuyper een gereformeerde politieke artij op (Anti-Revolutionaire Partij), stichtten een eigen universiteit (Vrije Universiteit) en bezaten hun eigen bladen. De formule had succes en kreeg navolging onder katholieken.
Nadat protestanten en katholieken betere maatschappelijke posities hadden ingenomen – Kuyper werd zelfs minister-president – functioneerden de zuilen vooral als instrument om de bevolkingsgroep bijeen te houden. Dit gebeurde formeel via organisaties waarbinnen de groepsleden als een grote familie leefden. Controle vond informeel plaats door middel van ongeschreven gedragscodes. Het was bijvoorbeeld een protestantse man in de eerste helft van de twintigste eeuw niet toegestaan een katholieke vrouw te huwen en je kocht als hervormde bij een hervormde bakker. Zo gingen binnen de zuil sociale controle en sociale zorg voor elkaar, samen.
De (kerkelijke) elite gebruikte de zuil steeds vaker om de groepsbelangen op nationaal en lokaal niveau te behartigen. De verzuiling kreeg daardoor een defensief en soms polariserend karakter, al werkten elites aan de top van de zuilen samen. Binnen de protestantse zuil ontstonden op basis van kerkelijke verwantschap ook subzuilen. Gereformeerden hadden bijvoorbeeld net als hervormden hun eigen school, partij en zangvereniging.
Vanaf 1970 formeerden bevindelijke protestanten hun eigen minizuil. Daarnaast functioneerden er verenigingen en stichtingen met een panprotestants karakter zoals de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging (NCRV). Vanaf de jaren zestig verdween het automatisme uit het functioneren van de zuilen. Welvaart, opkomend individualisme en de toegenomen betekenis van de massamedia – waardoor je geconfronteerd werd met de werkelijke identiteit van de andere bevolkingsgroep – zetten enerzijds een proces van ontzuiling in gang en stimuleerden anderzijds de gedachte dat er tussen christelijke bevolkingsgroepen moest worden samengewerkt. In de praktijk betekende dit dat organisaties verdwenen, zoals verschillende protestantse dagbladen. Of ze gingen samenwerken; bijvoorbeeld fuseerden twee protestante politieke partijen met een katholieke tot het Christen Democratisch Appèl (CDA). Dit proces voltrok zich ook bij sociaal-economische organisaties, zoals vakbonden en bonden voor boeren en tuinders. Ook veranderden organisaties van identiteit, zoals het dagblad Trouw dat van een protestantse krant een dagblad werd voor in levensbeschouwing geïnteresseerden.
Rond 2000 was er sprake van het ontstaan van een islamitische zuil die de positie van Nederlandse moslims moest verbeteren.
Auteur
Jan de Bas [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.M.G. Thurlings, De wankele zuil. Nederlandse katholieken tussen assimilatie en pluralisme (Deventer 1978, 2de druk)
J.C.H. Blom, ‘Onderzoek naar verzuiling in Nederland’, in J.C.H. Blom en C.J. Misset (red.), Broeders sluit u aan. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Amsterdam/Dieren 1985), 10-29
A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek (Haarlem 1990)
J.E. Post, Gereformeerd zijn en blijven, een wankel evenwicht? (Heerenveen 1998)