Politieke partij, opgericht in 1918 te Middelburg.
Het uitgangspunt van de partij is de bijbel als norm voor het politieke handelen. De waarden en normen ontleend aan de bijbel, worden van belang geacht voor ieder individu en voor de samenleving.
De oprichters, onder wie G.H. Kersten een belangrijke rol speelde, konden zich niet vinden in de politiek van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Met name het verschil in visie op de overheidstaak was een reden voor het vormen van een eigen partij. Het ging daarbij om de reikwijdte van artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Daarin wordt gesteld dat bij de overheidstaak de zorg hoort voor handhaving en bescherming van de gereformeerde godsdienst en het weren van niet-gereformeerde godsdiensten.
De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) kon in 1922 in de persoon van Kersten een vertegenwoordiger naar de Tweede Kamer afvaardigen. In 1925 bezette de hervormde predikant P. Zandt een zetel voor de partij, in 1929 gevolgd door C.N. van Dis.
Het belangrijkste feit uit de parlementaire geschiedenis waarmee de naam van de SGP verbonden is, was de val van het eerste kabinet-Colijn in 1925. Een amendement dat door Kersten en Zandt werd ingediend, leidde tot opheffing van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan.
Na de dood van Kersten werd Zandt partijvoorzitter, fractieleider en eindredacteur van het partijblad De Banier. Zijn opvolger Abma hechtte als fractievoorzitter waarde aan het analyseren van de tijdgeest, waarbij hij zich niet tot getuigenispolitiek beperkte. Vanaf 1986 functioneert B.J. van der Vlies als fractievoorzitter in de Tweede Kamer.
Auteur
W. Fieret [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Fieret, De Staatkundig Gereformeerde Partij 1918 - 1948. Een bibliocratisch ideaal. (Houten 1990)
W.Chr. Hovius e.a., Van goedertierenheid en trouw. 75 jaar Staatkundig Gereformeerde Partij (Den Haag 1993)