Kerkgenootschap, ontstaan onder de naam Gereformeerde Kerk (hervormd en gereformeerd betekenen taalkundig hetzelfde).
De Nederlandse Hervormde Kerk is in de zestiende eeuw, tegelijk met de strijd om Nederlands onafhankelijkheid, de Tachtigjarige oorlog, ontstaan. Die strijd gold tevens de protestantse godsdienstvrijheid. De ‘gereformeerden’ (aanhangers van Calvijn) gingen daarin voorop. Zo werd de Gereformeerde Kerk de officiële, publieke kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Er waren tussen de staat en (deze) kerk nauwe, ook financiële, banden. Alleen leden van deze kerk konden staatsambten bekleden. In de nationale synode van Dordrecht (1618-1619) consolideerde zij haar identiteit, onder meer door de officiële aanvaarding van de Drie Formulieren van Enigheid als gezaghebbende belijdenisgeschriften.
Aan haar bevoorrechte positie kwam een eind in 1798, toen in het nieuwe staatsbestel van de Bataafse Republiek godsdienstvrijheid grondwettelijk werd gegarandeerd. Intussen bleven ook haar kerkelijke inkomsten van staatswege gegarandeerd. Nog in 1899 omvatte zij 48 procent van de Nederlandse bevolking. Wel was haar ledental toen al gedaald, als gevolg van verscheidene afscheidingsbewegingen (Afscheiding 1834, Doleantie 1886). In de twintigste eeuw liep het percentage van wie tot haar behoren sterk terug, vooral sinds de jaren zestig (Secularisatie). De financiële banden tussen staat en kerk werden in 1983 beëindigd. In 2003 omvatte zij, met 1.9 miljoen geregistreerden, nog slechts 12 procent van de bevolking.
Toen Nederland in 1815, na de Franse overheersing, koninkrijk werd, kreeg koning Willem I de taak, ook het kerkelijk leven te reorganiseren. De Nederlandse Hervormde Kerk kreeg behalve haar nieuwe naam, ook een nieuwe organisatiestructuur; deze lag omschreven in haar in 1816 krachtens koninklijk besluit ingevoerd Algemeen Reglement. De bestuursmacht kwam in de hand van kleine bestuurscolleges, regionaal (‘classicaal’, zie Classis), provinciaal en nationaal (synode); de leden werden in eerste instantie door de koning zelf benoemd. Als bestuurstaken werden onder meer genoemd: ‘de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor Koning en Vaderland’. Voor behandeling van leerstellige
geschillen zou op de agenda van deze bestuurscolleges, inclusief de synode, geen plaats zijn. Het zou er uitsluitend om moeten gaan, te bevorderen dat ‘alle dingen eerlijk en met orde geschieden’.
De synode hield zich daaraan en meende zo het best de kerkelijke eenheid te dienen. Onder het aldus geconstrueerde administratieve dak ontstond echter in de loop van de negentiende eeuw grote verdeeldheid. ‘Modernen’ die het overgeleverde geloof opnieuw wilden doordenken in het licht van de rede en de nieuwe wetenschappelijke inzichten, kwamen te staan tegenover ‘confessionelen’ die streden voor opnieuw officiële erkenning en handhaving, ook via leertucht, van het gezag van de belijdenisgeschriften (zie Modernisme, Confessionele vereniging). Tegenover de doleantie die de christenen zag als apart volksdeel in een neutrale staat (zie Antithese) bleven de confessionelen des temeer uitgaan van de kerk als volkskerk: kerk van en voor heel het volk. Weer anderen stonden een ‘ethische’, existentiële visie op de geloofswaarheid voor (zie Ethische theologie, Ethische vereeniging). In het kader van deze ontwikkelingen vonden ook de bovengenoemde afscheidingsbewegingen plaats, die leidden tot het ontstaan van onder meer de Gereformeerde Kerken als afzonderlijk kerkgenootschap.
Begin twintigste eeuw ontstond ter rechterzijde, als afsplitsing van de Confessionele vereniging, de Gereformeerde bond, zich richtend op ‘verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk’. Modern gezinden richtten daar tegenover een Vereniging van vrijzinnige hervormden op, die zich inzette voor ruimte voor pluriformiteit van geloof en geloofsbeleving in de kerk. In de jaren dertig vonden confessionelen, ethischen en vrijzinnigen elkaar in een gezamenlijk, breed gedragen voorstel tot reorganisatie én vernieuwing van de kerk. Dit werd echter in augustus 1939 door de synode verworpen.
Na mei 1940 golden plotseling andere prioriteiten. De synode achtte een tegenover het nationaal-socialisme belijdend kerkelijk protest tegen maatregelen van de Duitse bezetter (zoals de jodenvervolging) belangrijker dan het bewaren van een bestuurlijke neutraliteit. Via kanselboodschappen en geschriften gaf zij de plaatselijke gemeenten voorlichting en geestelijke leiding. Zij riep daarbij het advies in van deskundige, prominente
kerkleden, bijeengebracht in een ‘commissie voor Kerkelijk Overleg’ (zie Kraemer). De noodsituatie waarin men gezamenlijk verkeerde, droeg ook bij tot een nieuw besef van gemeenschap, dwars door de richtingstegenstellingen heen. Een werkgroep kreeg de taak om gemeenten te stimuleren tot samen, missionair kerk-zijn. De werkgroep ging zich mede richten op bevordering van het gesprek tussen de richtingen. Er kwam ook in de synode begrip voor de noodzaak van kerkreorganisatie.
Met haar aanvaarding in 1944 van een overgangsregeling schiep zij zelf de mogelijkheid dat een nieuw gekozen generale synode, als brede vertegenwoordiging van de gehele kerk, haar plaats zou innemen. Deze generale synode kwam voor het eerst op 31 oktober 1945 bijeen. In december 1950 aanvaardde zij vrijwel eenstemmig een ontwerp Kerkorde, ter vervanging van het nog uit 1816 daterende Algemeen Reglement. De nieuwe kerkorde werd ingevoerd op 1 mei 1951. In de lijn van de overgangsregeling voorzag deze in een structuur die aan het bestuur van de kerk ook officieel de taak gaf om geestelijk leiding te geven.
Centraal in deze kerkorde staat de gedachte van het apostolaat: de kerk is ‘als Christusbelijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld’ (en daarmee in de Nederlandse samenleving) ‘om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen’. Hierin is nog iets te herkennen van de volkskerkidee. Het belijden van de kerk geschiedt, zo wordt gezegd, ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’.
‘Gemeenschap’ zegt iets anders dan de destijds door de Gereformeerde Bond bepleite ‘overeenstemming’. Deze formulering geeft uitdrukking aan verbondenheid met de Drie Formulieren van Enigheid, terwijl tegelijkertijd de hedendaagse generatie niet van haar verantwoordelijkheid is ontslagen zelf in belijdende zin te spreken.
In de eerste naoorlogse decennia werd deze visie op belijden als actuele, apostolaire aangelegenheid geconcretiseerd in veel synodale verklaringen, geschriften en rapporten over geloofskwesties, sociale en politieke vraagstukken. Positiekeuze op deze laatste terreinen werd niet overgelaten aan christelijke organisaties;
de synode zag daar, namens de kerk, een eigen verantwoordelijkheid. In latere jaren werd men daarin overigens
bescheidener en beklemtoonde men sterker de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente.
Inmiddels groeiden er contacten met de Gereformeerde Kerken, in een toenaderingsproces
dat sinds 1969 Samen op weg heet. In dit proces, gericht op kerkvereniging, participeert sinds 1990 ook de Evangelisch-Lutherse Kerk. In 2004 werd de Protestantse Kerk in Nederland de voortzetting van de drie kerken samen.
Auteur
Karel Blei [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk. Twee delen (Den Haag 1946)
A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 (3e druk: Kampen 1986)
Karel Blei, De Nederlandse Hervormde Kerk. Haar geschiedenis en identiteit (Kampen 2000)
W. Balke, A. van de Beek en J.D.Th.Wassenaar (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951 (Zoetermeer 2001)
P. van den Heuvel, De hervormde kerkorde. Een praktische toelichting (Zoetermeer 2001)
J. van der Graaf, De Nederlandse Hervormde Kerk. Belijdend onderweg. 1951-1981-2001 (Kampen 2003)
Afbeelding: Nederlandse Hervormde Kerk te Merlet