Kerkvereniging, ontstaan in 1892 door de vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk (afscheiding) en de Nederduitse Gereformeerde Kerken (doleantie)
Stuwende kracht achter de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) was de antirevolutionaire voorman Abraham Kuyper. Het kerkgenootschap heeft in de twintigste eeuw een unieke plaats in de Nederlandse samenleving ingenomen. Zij ontstond uit protest tegen de overheidsbemoeienis met de Nederlandse Hervormde Kerk en bezorgdheid over haar koers, en bestond aanvankelijk vooral uit kleine luyden.
Mede dankzij het charisma van Kuyper vormden de kerken al spoedig de kern van een brede emancipatorische beweging. Via het eigen verenigingsleven, een eigen politieke partij, eigen pers, christelijke scholen en tal van andere protestants-christelijke organisaties waarvan de gereformeerden de ruggengraat vormden, ontwikkelden zij zich tot een toonaangevende bevolkingsgroep die in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw op het hoogtepunt van haar invloed was.
De grondslagen van de GKN werden gevormd door de bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften: de Heidelbergse catechismus, de Dordtse leerregels en de Nederlandse geloofsbelijdenis. De organisatie was gebaseerd op de kerkorde zoals die in 1618-1619 op de synode van Dordrecht was vastgesteld. In principe lag de autonomie bij de plaatselijke gemeente, met de door de gemeenteleden gekozen kerkenraad aan het hoofd. In geval van conflicten konden kerkleden in beroep bij regionale en landelijke organen.
Dit stelsel van classes en synodes zorgde voor een grote samenhang binnen de GKN. Besluiten van de synode waren in de praktijk bindend voor alle aangesloten kerken. Zeker in de beginjaren bevorderde dit de opbouw van een krachtig en homogeen kerkgenootschap, met een levendige studie- en leescultuur.
De gereformeerde kerken waren zowel rechtzinnig als homogeen, maar herbergden wel diverse stromingen. Zo waren er bijvoorbeeld van meet af aan verschillen in opvatting over de doop. Een deel van de christelijke gereformeerden sloot zich daarom ook niet aan bij de GKN en bleef als zelfstandig kerkgenootschap voortbestaan.
Ook was er sprake van een belangrijk verschil in spiritualiteit. Bij de voormalige afscheidingskerken, lange tijd aangeduid als A-kerken, stond de persoonlijke vroomheid meer op de voorgrond; de uit de doleantie voortgekomen B-kerken werden eerder gekenmerkt door een op kerk en maatschappij gericht activisme. Die tegenstelling kwam onder meer tot uiting in de onbeslist gebleven strijd over de vraag of de predikanten moesten worden opgeleid aan de eigen Theologische School in Kampen of aan de Vrije Universiteit, die vrije wetenschapsbeoefening voorstond.
Op de synode van Utrecht (1905) werd de richtingenstrijd met een compromis afgesloten. Na deze pacificatie konden de gereformeerden zich des te krachtiger concentreren op de uitbouw van hun kerk en organisaties. Zij legden enorm elan aan de dag in zending en evangelisatie en zij zetten zich in op het terrein van de gezondheidszorg. Honderden artsen, verpleegsters, predikanten, hoogleraren, onderwijzers en jeugdwerkers werden door de kerk opgeleid en uitgezonden. Overeenkomstig het gedachtegoed van Kuyper organiseerden zij zich op alle terreinen van het leven.
Deze hechte organisatie wierp vooral in de jaren tien de vraag op in hoeverre het was toegestaan om over kerkgrenzen heen met medegelovigen samen te werken. Een conflict hierover kwam tot uiting in de zaak-Netelenbos (1919). In de jaren twintig kwamen meer verschillen van inzicht aan de oppervlakte, onder meer over levensstijl en het gezag van de bijbel. Op de achtergrond speelde de vraag wie de macht kregen in de GKN na de dood van de leidslieden van het eerste uur, Kuyper en H. Bavinck.
Gevolg van deze ontwikkelingen was de kwestie-Geelkerken en de totstandkoming in 1926 van de Gereformeerde kerken in Nederland in Hersteld Verband (HV). Na deze breuk volgde een periode van consolidatie en zette de groei van de GKN en de daaraan verwante organisaties zich voort.
Politiek en maatschappelijk kwamen de gereformeerden in de jaren twintig en dertig op het toppunt van hun invloed, mede door hun deelname aan de vijf kabinetten-Colijn. Op kerkelijk gebied rijpten in de jaren dertig nieuwe conflicten, onder meer over doop en wedergeboorte en over de houding ten opzichte van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB).
Terwijl gereformeerden in de Tweede Wereldoorlog volop meededen aan het verzet, en daarin vergeleken met andere bevolkingsgroepen een groot aandeel leverden, kwam het in 1944 in de kerk tot een breuk. Spil van het conflict was de Kamper hoogleraar K. Schilder. Het ontstaan van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) dat hieruit voortvloeide, kostte de GKN ongeveer tien procent van de leden.
De reactie op de breuk was tweeledig. Enerzijds waren er (vergeefse) toenaderingspogingen tot de vrijgemaakten, anderzijds was er sprake van een actieve periode van wederopbouw en zoeken naar nieuwe wegen. Theologisch vond een verschuiving plaats van de nadruk op doop en verbond naar prediking van het koninkrijk. Geleidelijk doorbraken de gereformeerden bovendien hun zelfgekozen isolement, vanuit het besef dat het koninkrijk Gods verder reikt dan alleen de GKN.
In 1961 deden achttien hervormde én gereformeerde voormannen een bevlogen oproep tot kerkelijke eenheid. Deze actie gaf een nieuwe impuls aan de samensprekingen met de Nederlandse Hervormde Kerk en andere kerkgenootschappen, die bekend zijn geworden onder de naam Samen op Weg. De GKN sloten zich in 1968 aan bij de Nederlandse Raad van Kerken en werden in 1971 lid van de Wereldraad van Kerken.
Het gezin was van oudsher de hoeksteen van de gereformeerde levensstijl. Hier hoorden kinderen voorlezen uit de bijbel, leerden ze bidden, werd hun het geloof voorgeleefd en kregen ze de regels en gewoontes mee: kerkgang, catechisatie, verkering en huwelijk in eigen kring.
Vanaf de jaren vijftig begon die levensstijl wel steeds gevarieerder te worden, gesanctioneerd door synode-uitspraken die blijk gaven van ruimere opvattingen op ethisch gebied. Zo kregen in 1952 vrouwen in de GKN het actieve kiesrecht, en konden ze vanaf 1969 ook als diaken en ouderling
worden gekozen. Verder zijn onder meer te noemen uitspraken over gezinsvorming, ongehuwd samenwonen, echtscheiding, euthanasie en homofilie.
In de jaren zeventig en tachtig hielden de GKN zich nadrukkelijk bezig met vraagstukken van oorlog en vrede, sprak men zich onder meer uit tegen de apartheid en tegen massavernietigingswapens, en was er een brede stroming voor eerlijker verdeling van de welvaart en bescherming van het milieu. In dezelfde decennia werd ook de binding aan de belijdenisgeschriften losser. Veranderingen in visie op het gezag van de bijbel vonden hun weerslag in het synoderapport God met ons, dat in 1980 werd aangenomen. Er kwam meer oog voor de menselijke inbreng bij de totstandkoming van de bijbel.
Niet alle gereformeerden waren even gelukkig met al deze ontwikkelingen. Er ontstonden spanningen tussen voorstanders van vernieuwing en degenen die uit waren op behoud van het erfgoed. In de jaren zeventig concentreerden die spanningen zich rond de theologen H.A. Wiersinga en H.M. Kuitert. Verontrusten organiseerden zich onder meer in het Confessioneel Gereformeerd Beraad.
De secularisatie leidde er intussen toe dat vanaf 1974 het ledental van de GKN begon te dalen, in de jaren tachtig en negentig met duizenden per jaar. Deze ontwikkeling versterkte de behoefte aan samenwerking en in 1985 verklaarden de synodes van de GKN en van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Evangelisch Lutherse Kerk zich officieel ‘in staat van hereniging’. Sinds 1 mei 2004 worden de GKN voortgezet in de Protestantse Kerk in Nederland.
Auteur
Agnes Amelink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Plomp, Een kerk in beweging. De GKN na de tweede wereldoorlog (Kampen 1987)
G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkeling van de GKN tussen 1950 en 1990 (Kampen 1992)
J. Veenhof, ‘Geschiedenis van theologie en spiritualiteit in de gereformeerde kerken’, in: M.E. Brinkman (red.), 100 jaar theologie. Aspecten van een eeuw theologie in de GKN (1892-1992) (Kampen 1992)
L.J. Wolthuis, J. Vree (red.), De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis (Kampen 1992)
Agnes Amelink, De gereformeerden (Amsterdam 2001)
H.C. Endedijk, De gereformeerde kerken in Nederland, Serie Wegwijs(Kampen 2002)