Overkoepelende term voor de verschillende gereformeerde kerkformaties
Uitdrukking afkomstig van R. Groen van Prinsterer, die haar in de negentiende eeuw gebruikte om aan te duiden dat de afgescheidenen (zie Afscheiding), die in 1834 met de Nederlandse Hervormde Kerk gebroken hadden, ook bij de ‘gereformeerden’ hoorden.
Hoewel Groen hen niet volgde in de afscheiding, beschouwde hij hen wel degelijk als mensen van de gereformeerde religie. Hij legde artikel 191 van de grondwet van 1815 dan ook anders uit dan J.R. Thorbecke. In dat artikel stond: ‘Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koninkrijk bestaande, wordt bescherming verleend.’ Volgens de letter van de wet bestonden de afgescheidenen nog niet in 1815 en verdienden ze dus geen bescherming. Groen was het daar niet mee eens, want hij beschouwde hen wel degelijk als vertegenwoordigers van de ware hervormde gezindheid.
De term heeft later gefunctioneerd als een soort paraplu die, ondanks de kerkelijke verdeeldheid, de verschillende gereformeerde kerkformaties overkoepelde.
In de regel werden de volgende kerken en groeperingen tot de gereformeerde gezindte gerekend: de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, de Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland, de Confessionele vereniging en de Gereformeerde bond.
Vooral na de Tweede Wereldoorlog begon de term gereformeerde gezindte deze paraplufunctie te krijgen. Verschillende kerken en groeperingen die zich gebonden wisten aan de gereformeerde belijdenis zochten in de jaren vijftig contact met elkaar, wat leidde tot de oprichting van het Contactorgaan van de gereformeerde gezindte (COGG). Drie keer per jaar ontmoetten afgevaardigden elkaar voor bespreking van actuele kerkelijke vragen en jaarlijks werd een landelijke conferentie gehouden.
In toenemende mate begonnen de andere vertegenwoordigers echter moeite te krijgen met de aanwezigheid van officiële vertegenwoordigers van de Gereformeerde Kerken, omdat zij van mening waren dat deze kerken nauwelijks meer verschilden van de Hervormde Kerk. Dit leidde tot het terugtrekken van de afgevaardigden van deze kerken, die daarna vervangen werden door vertegenwoordigers van het binnen deze kerken functionerende Confessioneel Gereformeerd Beraad. Daarna traden ook afgevaardigden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) toe tot het COGG.
In het algemeen kan men drie hoofdstromingen onderscheiden binnen de gereformeerde gezindte: de bevindelijk-gereformeerden, die grote nadruk leggen op de goddelijke uitverkiezing en op het persoonlijke zielenheil; de orthodox-gereformeerden die zich nauw verbonden weten aan de gereformeerde
belijdenis en meestal zeer actief zijn in de samenleving; de modern-gereformeerden die proberen het gereformeerde erfgoed te verbinden met de vragen van eigen tijd.
Kenmerkend voor de kerken die zich tot de GG rekenen is hun trouw aan en handhaving van de Drie Formulieren van Enigheid en hun nadruk op bekering en persoonlijk geloof.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Aalders e.a., Tien keer gereformeerd (Kampen 1973)
J. van der Graaf (eindred.), Beproefde trouw. 75 jaar Gereformeerde Bond (Kampen 1981)
G. Dekker en J. Peters, Gereformeerden in meervoud (Kampen 1989)