Benaming voor mensen met een strenge geloofsopvatting en precieze (‘fijne’) manier van leven
In Nederland zijn de piëtisten, later de bevindelijk gereformeerden zo aangeduid. Zij geloven namelijk dat Gods wil niet alleen gaat over grove misstappen zoals doden en stelen, maar ook over meer gedetailleerde zaken als kleding, sociaal gedrag, taalgebruik, invulling van de zondag, onthouding van moderne media en van dans en toneel. Hun klassiek geworden uitspraak: je bent herkenbaar in ‘daad, gewaad en gepraat’.
In de zeventiende eeuw dook de term ‘fynen’ voor het eerst op. In de achttiende eeuw ging ze in het culturele debat een rol spelen. ‘Ze praten langzaam, zuchten en steunen onophoudelijk, het gezicht strak en betrokken’, hoonde Justus van Effen zijn fijne tijdgenoten. Het verlichte schrijversduo Wolff en Deken haalde hen in romans over de hekel. De twintigste eeuw creëerde nieuwe namen voor deze groepen: zwartekousenkerken, fundamentalisten.
Auteur
J.K. Karels [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
F.A. van Lieburg, Levens van Vromen. Gereformeerd piëtisme in de achttiende eeuw (Kampen 1991)
J. Exalto, ‘Gekerm, gekrijt, geween. Emotie en lichaamstaal in het Nederlandse piëtisme’, in: Documentatieblad Nadere Reformatie XXVII (2003) 51-79