Christelijke politieke partij, opgericht op 11 oktober 1980.
Voor die tijd bestonden er drie grotere christelijke partijen: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP). Reden voor de totstandkoming van het Christen Democratisch Appèl (CDA) was dat deze drie partijen in de jaren zeventig aan politieke invloed dreigden in te boeten. Dit was het gevolg van de fundamentele kerkelijke, theologische, maatschappelijke en politieke veranderingen die zich na de Tweede Wereldoorlog voltrokken en die in de jaren zestig in een stroomversnelling raakten.
Zo verloren ARP, CHU en KVP bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1967 hun gezamenlijke meerderheid in het parlement, die zij sinds 1917 vrijwel onafgebroken hadden gehad. Het fusieproces verliep moeizaam en de uitkomst stond niet op voorhand vast. De samenwerking werd echter bevorderd door de wens die bij belangrijke delen van de orthodox-protestantse en rooms-katholieke volksgroepen leefde, om een expliciete relatie te blijven leggen tussen het christelijk geloof en hun politieke handelen. Een andere integrerende factor wordt gevormd door de rol van personen als de partij- en fractievoorzitters B.W. Biesheuvel, W.K.N. Schmelzer en A.D.W. Tilanus uit de jaren zestig en F.H.J.J. Andriessen, J. de Koning en O.W.A. Baron van Verschuer uit de jaren zeventig. Eveneens belangrijk is geweest de persoon van de eerste CDA-lijsttrekker, A.A.M. van Agt, terwijl voor P.A.J.M. Steenkamp de vorming van het CDA weinig minder dan zijn levenswerk is geweest.
De totstandkoming van het CDA bracht niet onmiddellijk het nieuwe elan waarop door zijn voorvechters was gehoopt. Het jaar 1983 markeert in dit opzicht de omslag. Toen kwam het tot een kristallisatie van de discussie over welke elementen van het antirevolutionaire, christelijk-historische en rooms-katholieke erfgoed nog bruikbaar waren en welke concepties als achterhaald konden worden aangemerkt. De filosofie van de verantwoordelijke samenleving waarin dit resulteerde, bleek binnen het CDA aan te slaan. Bovendien kon het door het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) gevoerde economische beleid geleidelijk op waardering rekenen, wat tot uitdrukking kwam in een stijgende populariteit van premier R.F.M. Lubbers. Door dit alles wist de partij bij de verkiezingen van 1986 een winst van negen zetels te boeken. In 1989 slaagde het CDA erin deze winst te consolideren.
In de eerste helft van de jaren negentig bleek echter in toenemende mate spanning te ontstaan tussen twee kenmerken van het CDA, dat van christelijke beginselpartij en dat van bestuurderspartij. In combinatie met de perikelen tussen Lubbers en zijn opvolger L.C. Brinkman, droeg dit bij aan het historische verlies van het CDA van twintig zetels in 1994. De gouvernementele instelling van het CDA is ook een belangrijke verklaring voor het feit dat de partij tussen 1994 en 2002 de nodige moeite heeft gehad met de invulling van haar oppositierol tegenover de ‘paarse’ coalitie van sociaal-democraten, liberalen en democraten. Tijdens deze periode moesten achtereenvolgens drie partijleiders het veld ruimen: Brinkman, die kort na de verkiezingen van 1994 terugtrad, E. Heerma en J.G. de Hoop Scheffer.
Achter de schermen werd tijdens deze periode wel de basis gelegd voor een verdere inhoudelijke vernieuwing, waarvan de partij na het aantreden van J.P. Balkenende in 2001 de vruchten kon plukken. Bij de verkiezingen van 2002 steeg het CDA van 29 naar 43 zetels. Het ging een coalitie aan met de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en de Lijst Pim Fortuyn (LPF), die echter nog datzelfde jaar ten val kwam. Bij de verkiezingen in 2003 boekte het CDA een zetel winst en vormde met VVD en Democraten’66 (D66) het kabinet-Balkenende II.
Auteur
H.-M.Th.D. ten Napel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.-M.Th.D. ten Napel, ‘Een eigen weg’. De totstandkoming van het CDA (1952-1980) (Kampen 1992)
D. Verkuil, Een positieve grondhouding. De geschiedenis van het CDA (Den Haag 1992)
Marcel Metze, De stranding. Het CDA van hoogtepunt naar catastrofe (Nijmegen 1995)
R.S. Zwart, ‘Gods wil in Nederland’. Christelijke ideologieën en de vorming van het CDA (1880-1980) (Kampen 1996)
Pieter Gerrit Kroeger en Jaap Stam, De rogge staat er dun bij. Macht en verval van het CDA 1974-1998 (Amsterdam 1998)
Kees Versteegh, De honden blaffen. Waarom het CDA geen oppositie kan voeren (Amsterdam 1999)
Afbeelding: Verkiezingsbiljet CDA, Tweede Kamerverkiezingen 1977