De benaming christelijk-sociale beweging kent verschillende betekenissen. In de eerste plaats wordt er een visie op de inrichting van de samenleving mee bedoeld: de beweging als een protestantse variant van het christelijk-sociaal denken. De oorsprong van dit denken ligt in het laatste kwart van de negentiende eeuw toen modernisering en industrialisering Nederland grondig veranderden. Dit ging gepaard met de opkomst van een arbeidersklasse die vaak in erbarmelijke omstandigheden leefde en werkte.
Veel meer dan spaarzame bijstand van stedelijke, filantropische en diaconale instellingen, om de ergste nood te leningen, was er niet. Breed leefde de idee dat, voordat er materiële verbetering mogelijk was, de levenswijze van de werklieden en hun families eerst moreel op hoger peil gebracht moest worden. Pas langzaam drong door dat beide nodig waren. De christelijk-sociale beweging probeerde zowel de materiële als geestelijke levensomstandigheden van de werkende klasse te verbeteren.
Een belangrijke inspiratiebron was het Réveil. Vooral het praktische sociale werk en de filantropie die hiervan uitgingen oogstten bewondering. Inspiratie werd ook opgedaan in het buitenland. De predikant en latere hoogleraar F.D. Maurice (1805-1872) wekte in Engeland de kerk en haar leden op het evangelie te verkondigen, de sociale ellende te bestrijden en de arbeidersklasse te verheffen. Het werk van Maurice en andere ‘christian socialists’ inspireerde mensen als de antirevolutionair A.S. Talma. Een andere buitenlandse inspiratiebron was de bisschop van Keulen, W.E. Freiherr von Ketteler (1811-1877). Hij was een van de grondleggers van de katholieke sociale leer. De hofprediker en politicus Adolph Stöcker volgde Kettelers spoor, in de overtuiging dat het evangelie consequenties diende te hebben voor het maatschappelijke bestel.
In engere zin wordt de benaming ‘christelijk-sociale beweging’ gebruikt voor de protestantse organisaties die zich bezighielden met sociaal-economische belangenbehartiging. Voorloper was het in 1876 opgerichte Werkliedenverbond Patrimonium dat christelijke arbeiders een alternatief wilde bieden voor het socialisme. Het Sociaal Congres, dat in 1891 in Amsterdam werd gehouden, kan als startpunt van de christelijk-sociale beweging worden gezien.
Na de eerste wereldoorlog kregen organisaties als het Christelijk Nationaal Vakverbond, de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond en de Christelijke Werkgeversvereeniging vorm. Vanaf 1937 werkten deze organisaties samen in het Christelijk-sociaal convent, een overlegorgaan voor sociaal-economische kwesties. In 1980 trad de Katholieke Boeren- en Tuindersbond tot het convent toe. Omdat de meeste protestantse organisaties in de loop van de jaren negentig opgingen in algemene organisaties verloor het convent zijn functie.
Tegenwoordig wordt de term christelijk-sociale beweging vaak in bredere zin gebruikt. De beweging dekt dan groepen, organisaties, instellingen en stromingen die zich van af het midden van de negentiende eeuw met maatschappelijke activiteiten bezighielden. Deze organisaties wortelden vaak in een door de protestantse elite gestimuleerd beschavingsoffensief. Naar deze opvatting kunnen ook organisaties op het terrein van de christelijke zorg voor geestelijke en lichamelijk gehandicapten, de christelijke drankbestrijding en het Leger des Heils tot de beweging gerekend worden. De ‘brede’ christelijk-sociale beweging beperkt zich dan ook niet tot Nederland, maar bestrijkt de hele westerse wereld.
Auteur
Rolf van der Woude, voor Protestant.nl
12 november 2008
Verder lezen
R. Hagoort, De christelijk-sociale beweging (Franeker 1955)
P. Werkman en R.E. van der Woude, ‘”In broederlijke geest”. Het Convent van Christelijk-sociale organisaties in wederopbouwtijd’, in: Crisis, what crisis? Cahier over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging 5 (2004) 76-96
J. Kennedy, ‘De Nederlandse christelijk-sociale beweging heroverwogen’, in: Geïnspireerde organisaties. Cahier over de geschiedenis van de Christelijk-sociale beweging 7 (2007) 110-119