Christelijk-Democratische Unie

Politieke partij, eind 1926 opgericht door orthodoxe protestanten.

De oprichters van de Christelijk-Democratische Unie (CDU) vonden de politiek van de

Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en van de Christelijk-Historische Unie (CHU) op sociaal-economisch terrein te weinig vooruitstrevend. In 1929 aanvaardde de CDU het standpunt van eenzijdige ontwapening. De ideologische onderbouwing hiervan kwam vooral van de predikant

J.J. Buskes jr., die in 1929 lid werd. In 1932 trad Hendrik van Houten toe, voorzitter van de Bond van Landpachters.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 won Van Houten, als lijsttrekker een Kamerzetel, vooral door pachtersaanhang. Door het politiek leiderschap van Van Houten was de CDU nu niet meer primair een antimilitaristische getuigenispartij, maar vertoonde zij daarnaast de trekken van een belangenpartij. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1937 behaalde de CDU twee zetels.

Met de andere politieke partijen werd ook de CDU in 1941 door de bezettingsautoriteiten verboden. In februari 1946 ging wat er nog van de CDU over was, op in de nieuw te vormen Partij van de Arbeid. Deze partij stelde zich op het standpunt van de doorbraak, volgens welke er in de nieuwe partij ruimte was voor personen met verschillende levensbeschouwelijke achtergrond, en dus ook voor orthodoxe protestanten.

Auteur

Herman Langeveld [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]

Verder lezen

H.J. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie 1926-1946 (Den Haag 1989).