Anti-Revolutionaire Partij

arp.JPG

Politieke partij opgericht in 1897.

De Anti-Revolutionaire Partij is in 1897 opgericht. De 'antirevolutionaire of christelijk-historische richting’ is echter een halve eeuw ouder. Haar begin kan in 1829 worden gedateerd, toen Groen van Prinsterer het tijdschrift Nederlandsche Gedachten oprichtte. Staande op de schouders van Bilderdijk en Da Costa trok hij daarin ten strijde tegen de idee van de volkssoevereiniteit, het fundament van het ideeëngoed van de Franse Revolutie. Groen stelde in 1847 in zijn bekendste werk Ongeloof en revolutie, dat revolutie de autoriteit van Gods Woord verwierp en het menselijk denken tot uitgangspunt koos. Vrijheid werd beloofd, maar tirannie en willekeur waren het gevolg. Ware vrijheid kon alleen bestaan op de grondslag van het christelijk geloof: tegen de revolutie het evangelie, een adagium dat volgens Groen ook het terrein van de politiek gold. In 1849 trad hij toe tot de Tweede Kamer. Daarin zou hij echter een roepende in de woestijn zijn, ‘een veldheer zonder leger’.

Dit veranderde met de komst van Abraham Kuyper. Met straffe hand organiseerde hij de antirevolutionaire richting tot een moderne politieke partij, de eerste in Nederland. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) werd gegrond op een politiek program (Ons program) waarin Kuyper de kerngedachten van de antirevolutionaire staatsleer uiteenzette. In de praktijk was het voornaamste doel van de ARP het streven naar financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs (schoolstrijd). Ook uitbreiding van het kiesrecht, ten einde de kleine luyden politieke stem te geven, en de sociale kwestie stonden hoog op de politieke actielijst. Te hoog, zo oordeelde de door De Savornin Lohman geleide rechtervleugel van de ARP. Het conflict leidde in 1894 tot een breuk in de kamerfractie, later tot de afscheiding van de Vrij-antirevolutionairen die in 1908 zouden opgaan in de Christelijk-Historische Unie (CHU).

In 1901 behaalden de antirevolutionairen een grote verkiezingsoverwinning. Na Mackay in 1889, formeerde Kuyper een tweede coalitiekabinet. Het overleefde de massale spoorwegstakingen van 1903 en zat de volle vier jaar uit. Het kabinet, met name het optreden van Kuyper, wekte zoveel weerstand op, dat de stembusstrijd van 1905 zijn persoon tot inzet had; de coalitie verloor nipt. Kuyper verdween naar de coulissen van het politiek toneel. In 1908 passeerde de partij hem voor het ministerschap; Heemskerk werd premier van een nieuw confessioneel kabinet.

In 1920, na de dood van Kuyper, nam Colijn het partijleiderschap op zich. Als ‘sterke man’ die de overheidsfinanciën op orde had gebracht, won hij in 1925 de verkiezingen, maar zijn kabinet ging al na drie maanden ten onder, nadat de Tweede Kamer besloot het Nederlandse gezantschap bij de Heilige Stoel op te heffen (‘Vaticaancrisis’). Pas in 1933, toen het land opnieuw in zwaar economisch weer verzeild was geraakt, kreeg Colijn zijn herkansing. Samen met liberalen en vrijzinnig-democraten formeerde hij een ‘crisiskabinet’ dat een stringent bezuinigingsbeleid voerde en tot 1936 vasthield aan de ‘gouden standaard’. De verkiezingen van 1937 brachten de ARP drie zetels winst: van veertien naar zeventien. Vooral onder druk van fractieleider Schouten herstelde Colijn de coalitie, maar lang hield het kabinet niet stand. Het viel in 1939, waarna Colijn nog een ‘zakenkabinet’ formeerde dat slechts een paar dagen standhield. De Geer formeerde het eerste kabinet met sociaal-democratische deelname; de ARP ging in de oppositie.

Na de Duitse inval in 1940 nam de ARP stelling tegen het streven van de Nederlandse Unie naar ‘een nieuwe Nederlandsche saamhorigheid’. Samen met de christelijk-historischen werd in augustus en september 1940 op massameetings getuigd van een herwonnen zelfbewustzijn. Na het Duitse verbod van de meetings gingen twaalf door Colijn aangezochte ‘apostelen’ het contact met de achterban onderhouden. Ook legden ze de fundamenten voor een schaduworganisatie. Het aantal leden van de ARP groeide spectaculair: van zeventigduizend bij het begin van de bezetting tot tweehonderdvijftigduizend in mei 1941. Na de opheffing van de politieke partijen, in juni 1941, ging de ARP ondergronds, geleid door Schouten. Colijn was door de Duitsers in ballingschap weggevoerd. Na Schoutens arrestatie in april 1943 kwam J.A.H.J.S. Bruins Slot aan het hoofd te staan van de ‘Politieke Organisatie’, zoals de ondergrondse ARP doorgaans werd aangeduid.

In het zicht van de bevrijding werd, samen met het verzetsblad Trouw, het initiatief genomen tot een Christelijke Volkspartij. Hierin zouden de antirevolutionairen en christelijk-historischen moeten worden herenigd, onder progressief-protestantse vlag. Het initiatief strandde na de bevrijding op het veto van de uit het concentratiekamp teruggekeerde Schouten. Onder diens strakke leiding werd stelling genomen tegen de doorbraak en werd de naderende dekolonisatie van Nederlands-Indië fel bestreden. Het leidde ertoe dat het vooroorlogse verblijf in de oppositiebanken werd gecontinueerd.

Uiteindelijk duurde dit tot 1952 toen de ARP tot de rooms-rode coalitie van Drees toetrad, tegen de zin van Schouten. Dat tekende zijn tanende invloed. In 1955 trad hij terug als partijvoorzitter, een jaar later verliet hij de Tweede Kamer. Spanningen tussen verschillende stromingen kwamen nu aan de oppervlakte. Tussen minister J. Zijlstra en fractievoorzitter Bruins Slot ontstond een machtsstrijd die zijn hoogtepunt bereikte in de val van het kabinet-De Quay in december 1960 (‘huizen- of dakpancrisis’). Bruins Slot dolf het onderspit. De antirevolutionaire achterban wees hem als schuldige van de kabinetscrisis aan en zette hem bij de samenstelling van de groslijst voor de kamerverkiezingen van 1963 terug naar een elfde plaats. De duikeling was ook een gevolg van de plotselinge, door Bruins Slot en partijvoorzitter Berghuis geïnitieerde ‘ommezwaai’ in september 1961 ten aanzien van Nieuw-Guinea.

Spanning tussen de meer behoudende achterban en de door evangelisch-radicale denkbeelden bevangen partijleiding bepaalden in belangrijke mate de jaren zestig en zeventig. ‘De AR-Partij moet voorhoede zijn!’, verkondigde lijsttrekker B. Biesheuvel in de aanloop naar de kamerverkiezingen van 1967. Met zijn ‘Bergrede’ manifesteerde fractievoorzitter Aantjes zich in 1975 als bevlogen pleitbezorger van een progressieve evangelische beginselpolitiek. Hiermee probeerde hij het Christen-Democratisch Appèl-in-wording (CDA) op radicaal-evangelische leest te schoeien en het centrum-linkse kabinet-Den Uyl een steun in de rug te geven. Bij de achterban viel dit niet in goede aarde. Dat was twee jaar eerder al gebleken, na de formatie van het kabinet-Den Uyl waarin de antirevolutionairen J. Boersma en W.F. de Gaay Fortman op eigen gezag zitting hadden genomen. De ARP-kamerfractie besloot het kabinet te gedogen, waarop Aantjes en partijvoorzitter J. de Koning tijdens hun rondgang langs de kamercentrales spitsroeden moesten lopen. Dat het evangelisch radicalisme niet diep wortel had geschoten, bleek ook in 1980 toen de ARP in het CDA opging. Het CDA profileerde zich nadrukkelijk als ‘open’ middenpartij en was niet de door Aantjes en de zijnen (de ‘loyalisten’) gewenste beginselpartij.

Auteur
P. Bak [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]

Afbeelding: Verkiezingsbiljet van de ARP bij de Tweede Kamerverkiezingen 1925.

Verder lezen
D.F.J. Bosscher, Om de erfenis van Colijn. De ARP op de grens van twee werelden 1939-1952 (Alphen aan den Rijn 1980)
J.-J. van den Berg, Deining. Koers en karakter van de ARP ter discussie (Kampen 1999);
J.P. Stoop, ‘Om het volvoeren van een christelijke staatkunde’. De Anti-Revolutionaire Partij in het Interbellum (Hilversum 2001)
G. Harinck, R. Kuiper en P. Bak, De Antirevolutionaire Partij 1829-1980 (Hilversum 2001)
R. Janssens, De opbouw van de Antirevolutionaire Partij (Hilversum 2001)

Archief
Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, Vrije Universiteit

Informatie op internet
Peter Bak, 'De ARP "ondergronds"'