1. Gedeeltelijke of volledige tijdelijke onthouding van spijs en drank uit morele of religieuze overtuiging.
Het vasten komt in talrijke godsdienstige bewegingen voor. In de joodse en christelijke traditie wordt het gepraktiseerd als voorbereiding op een godsdienstige handeling of taak, als begeleiding van contemplatie of gebed. Het Oude Testament kende één verplichte vastendag, Grote verzoendag. In het Nieuwe Testament werd de religieuze waarde van vasten algemeen verondersteld, maar was wel sterk afhankelijk van de achterliggende intentie. In de vroege kerk werden enkele dagen als vastendagen aangewezen, met name de vrijdag. Vasten werd vooral als boetedoening geduid. In de Middeleeuwen nam het aantal vastendagen toe. Tevens ontstond een uitgebreide regelgeving over duur en omvang van het vasten, maar ook ten aanzien van dispensaties. In de katholieke kerk zijn vastenvoorschriften pas na het Tweede Vaticaanse Concilie aanzienlijk gereduceerd.
2. Voorbereidingstijd van veertig dagen voor het paasfeest.
Auteur
G. Ackermans [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen:
Vasten, in: Theologisch Woordenboek III (Roermond 1958), 4665-4669
J.W. Roosenbrand, Vasten (Barneveld 1997)