Protestanten gaan in hun afkeer van populaire muziek soms extreem ver. 'Als ik in een discotheek sta te huppelen, kies ik niet voor Jezus. Dan stel je jezelf open voor de duistere kant. Ook christenen zijn zich daar niet van bewust. Je kiest óf voor Jezus óf voor de wereld. Er is geen grijs gebied.'
Bron: Christelijk Informatie Platform
Er kan ook genuanceerder over gesproken worden. Dit zegt de Christelijke Encyclopedie:
POPMUZIEK (2008)
Wat vinden protestanten van popmuziek? Allereerst zijn er protestanten die deze vraag een vreemde vraag vinden. Immers, waarom zou je als protestant anders tegen popmuziek (of rock, of dance) aankijken dan een niet-protestant? Je geniet ervan, of niet. Je bezoekt af en toe een concert, of niet. Je bent helemaal into muziek. Je hebt buttons van je favoriete band op je tas. Je kijkt al maanden uit naar een bepaald concert of festival. Je hele lifestyle is verweven met muziek. Of niet, natuurlijk.
Maar er zijn protestanten voor wie dit anders ligt. Voor wie popmuziek niet simpel een kwestie van smaak is. Voor hen is popmuziek synoniem aan sex, drugs, rock ’n roll, en geeft het uitdrukking aan een levensstijl die haaks staat op een christelijke levensstijl. Voor hen is pop, rock en dance ‘the devil’s music’.
Vanaf het vroegste begin van de pop en popcultuur in de jaren ’50 en ’60 (en eigenlijk ook al in de jaren ‘20, met de opkomst van de jazz) hebben verschillende protestantse groeperingen zich verzet tegen pop. Vandaag de dag is het verzet duidelijk minder geworden – behalve dan dat met name conservatievere protestanten (zoals in Nederland de refo’s) nog altijd fel gekant zijn tegen pop.
Een verhaal apart is de evangelische beweging, waarin een soort van christelijke variant van popmuziek (‘relipop’, vandaag de dag ook wel contemporary christian music genoemd) en een christelijke popcultuur is ontwikkeld. Dit religieus alternatief ontstond in de jaren ’60 in de Verenigde Staten. Christelijke jongeren konden zich niet vinden in de overwegend negatieve christelijke reactie op pop. Alhoewel ook zij van mening waren dat bepaalde aspecten van de nieuwe popcultuur ‘zondig’ waren, meenden zij dat pop op zich, net als elke andere artistieke expressie, uitdrukking kan zijn van Gods scheppende creativiteit. Zij legden de basis voor een omvangrijke, wereldwijde, hip-christelijke popcultuur, met eigen grote bands, eigen podia, eigen festivals, eigen tijdschriften en een eigen muziekindustrie. Het handelsmerk van deze relipop was de combinatie van popmuziek (en later ook punk, metal, dance, hiphop, r&b en nu-metal), popcultuur en een christelijke levensstijl. Ook ontstond binnen deze relipopcultuur een nieuwe variant van de zondagse gemeentezang, de zogenaamde ‘praise and worship’. Hierin worden twee fundamentele aspecten van de christelijke religieuze praxis (‘praise’ en ‘worship’; letterlijk: lofprijzing en aanbidding) gecombineerd met popmuziek en de sfeer en stijl van een popconcert.
Auteur
Johan Roeland, onderzoeker bij het VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society en bij het lectoraat Morele Vorming van de Gereformeerde Hogeschool Zwolle
Links: www.ccmmagazine.com; www.eo.nl/jongerendag; www.eo.nl/xnoizz; www.flevofestival.nl;
www.ronduit.nl.
Eerder versie: POPMUZIEK (2005)
Letterlijk: populaire muziek. De definitie verbreedde zich tot alles wat niet klassiek, jazz of country is, maar de term kent vanaf de jaren tachtig en negentig een steeds ingewikkelder substructuur van stijlen, mengvormen, fusies en crossovers.
Popmuziek ontstond op het kruispunt van de voorheen gescheiden ‘blanke’ rock’n roll en de ‘zwarte’ (rhythm &) blues, vanaf 1954 in de Verenigde Staten (Elvis Presley, Buddy Holly). Rebellie en jeugdcultuur kregen een muzikale uitlaatklep en rock was verbonden met protest. Begin jaren zestig kreeg pop een nieuwe impuls met de Britse beatgroepen (The Beatles, Rolling Stones, Kinks, Who). In de Verenigde Staten maakten folk (van singer-songwriters als Bob Dylan en Joan Baez) soul en funk (Otis Redding, Aretha Franklin) opgang.
Vanaf 1967 werd pop instrumentaal (toetsen, blazers) en inhoudelijk verbreed met conceptalbums, hippiecultuur en psychedelica, symfonische pop en meerdaagse festivals (Frank Zappa, Pink Floyd, the Doors). Daarbij kwamen ook de duistere kanten van pop aan bod: drugsgebruik, cultuurpessimisme, rond 1970 geaccentueerd door het sterven van toonaangevende artiesten als Jimi Hendrix, Jim Morrison en Janis Joplin.
De jaren zeventig stonden in het teken van commercialisering van de popcultuur, glam- en glitterrock (David Bowie, Lou Reed), reggae (Bob Marley) en disco. Daarnaast hield hardrock aan (Led Zeppelin, Deep Purple). Er kwam ook luisterpop met meer nadruk op tekst en ballade, en supergroepen als Abba en Queen verschenen. Ook de symfonische pop bleef prominent (Yes, Genesis).
Rondom 1980 was er een scherpe reactie, terug naar het korte en rauwe geluid, in de punk en new wave-groepen (Sex Pistols, Clash). Daaraan gekoppeld was een cultuur die zich uitte in een zowel onbeheerst ‘pluk de dag’ als een no future-doemdenken (Joy Division, Stranglers).
Het decennium erna begonnen alle trends zich te mengen (Elvis Costello, Police, Dire Straits) en kwamen er nieuwe substijlen (ska, garage rock, underground). Het leidde tot de opkomst van nieuwe groepen (R.E.M., Sonic Youth, Living Colour) en artiesten als Prince en Joe Jackson. Eind jaren tachtig ontstond metal, een erfenis van de hardrock die zich vertakte in black, death en andere subsoorten. Alice Cooper en Marylin Manson waren voortrekkers van deze scene.
De trends van steeds nieuwe vertakkingen en vermenging van stijlen verhevigde in de jaren negentig, met de opkomst van de door monotone, snelle drumbeats gekenmerkte house, dance, trance, lounge, rap en hiphop als uitingsvormen van zwarte jeugdcultuur (Public Enemy, Beastie Boys en de blanke Eminem), americana of alt country als fusie van rock en singer-songwriterpop en progrock als erfgenaam van de symfonische muziek. Ook Afrikaanse, Latijnse en Aziatische culturen deden hun intrede in de pop: wereldmuziek (Youssou N’dour).
In Nederland kwam de popmuziek in de jaren zestig op gang, in twee tradities: singer-songwriters (Jaap Fischer, Boudewijn de Groot) en rock, met aan de basis Peter Koelewijn, Rob de Nijs, de indo-rock (Blue Diamonds) en de bandjes in Den Haag en Amsterdam: Outsiders, Motions, Q65, Tee Set, Golden Earring(s) en later Sandy Coast, Cats, Ekseption en Earth & Fire. Vanaf de late jaren zeventig komt er steeds meer Nederlandstalige pop: Toontje Lager, Frank Boeijen, Doe Maar. De twee trends zetten zich door in de jaren tachtig en negentig: De Kast, De Dijk, The Scene, Bløf, Volumia!, maar ook Engelstalige pop van Bettie Serveert. Wat opvalt, is de intrede van het levenslied in de Nederpop: André Hazes, Marco Borsato, Frans Bauer, maar ook het Engelstalige BZN.
Opvallend is de verandering in acceptatie van popmuziek door christenen. Van scherpe afwijzing in de jaren vijftig en zestig ging het naar omhelzing en het gebruik maken van popsjablonen voor gospel en reli-pop. Ralph van Manen, kBoemm! en festivals als Flevototaal (Flevofestival) of de EO Jongerendag illustreerden niet alleen de vermenging van christelijke en seculiere pop, ook de tweetaligheid (Nederlands en Engels) werd normaal.
Auteur
Herman Veenhof [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Steve Turner, Hungry for Heaven. Rock and Roll and the Search for Redemption (Londen 1988)
Jan Koenot, Voorbij de woorden. Essay over rock, cultuur en religie (z.p.1996): OOR’s Nederlandse Popencyclopedie (Amsterdam 2004 14e druk)