School van aanhangers van de evolutietheorie van Charles Darwin.
Darwin benadrukte ongerichte variatie, natuurlijke selectie, geleidelijkheid van ontwikkeling en erfelijkheid van verworven eigenschappen. Variatie paste niet in het idealisme van de natuurlijke theologie waarmee hij was opgegroeid. Volgens dit idealisme waren organismen gebouwd volgens een goddelijk plan. Ze zouden dus onveranderlijk en volmaakt moeten zijn, maar dit was niet het geval. Daaruit concludeerde Darwin dat organismen niet direct door God geschapen waren maar via natuurwetten. Gods wijsheid en perfectie mochten dan niet zichtbaar zijn in organismen, ze waren dat wel in natuurwetten. Deze theologische redenering laat zien hoezeer Darwin bleef denken in de lijn van de natuurlijke theologie, namelijk dat schepselen eigenschappen van God weerspiegelen. Dit sloot aan bij zijn wetenschapsfilosofie waarin de eigenschappen van organismen niet meer werden gezien als manifestaties van goddelijke eigenschappen maar werden verklaard uit natuurlijke oorzaken. Het christelijk idealisme dat Darwin verwierp, zou de aanvaarding van het darwinisme vertragen.
De rol van erfelijkheid, de oorsprong van variatie en de verhouding tussen organisme en omgeving (selectie) vroegen om een oplossing. Volgens Darwin wordt erfelijke informatie over lichamelijke eigenschappen plaatselijk geproduceerd door actieve aanpassing aan de omgeving. Deze informatie wordt opgeslagen in deeltjes (pangenen) die in alle cellen voorkomen. Bij voortplanting worden de pangenen met de verworven eigenschappen verzameld in de geslachtscellen en doorgegeven aan het nageslacht. Het neodarwinisme sloot actieve aanpassing en de erfelijkheid van verworven eigenschappen uit (zie J. Lever).
De erfelijkheidswetten van Mendel werden herontdekt in 1900. Het resultaat was een synthese tussen het darwinisme en de erfelijkheidsleer van Mendel, die plaatsvond tussen 1926 en 1950. De synthese was ook niet het einde van alle tegenspraak. Natuurlijke selectie werd óf gezien als zuivering van schadelijke mutaties óf als oorzaak van evolutie óf als onbelangrijk voor evolutie. Dobzhansky (1900-1975), een van de architecten van de synthese, beschouwde toevallige erfelijke veranderingen in kleine groepen als een niet-biologische oorzaak van variatie. Sommige vakbiologen uit deze en de vorige eeuw bleven protesteren tegen de richtingloosheid van evolutie. Reacties op Darwin in Nederland hingen af van wisselwerkingen tussen feiten, theorieën, wetenschapsmethodologie, theologie en wereldbeschouwing. Dit resulteerde in verschillende interpretaties en misverstanden. Bovendien werd het darwinisme voor diverse wereldbeschouwelijke wagens gespannen.
Tussen 1860 en 1880 werd het darwinisme door biologen zonder meer aanvaard, omdat het zoveel feiten integreerde. Theologische discussies gingen over de mogelijkheid evolutie te zien als onderdeel van een goddelijk plan en over de uitleg van de bijbel. Darwin is echter niet verantwoordelijk voor de bijbelkritiek. Deze begon vóór de publicatie van Darwins evolutietheorie (1859) en werd later versterkt door de opkomst van het historisch besef. Mede door deze ontwikkelingen hadden vrijzinnige protestanten aan het eind van de negentiende eeuw geen probleem met het aanpassen van de bijbeluitleg en namen het darwinisme op in een christelijk vooruitgangsgeloof. Enkele calvinisten verdedigden ook een door God doelgerichte evolutie, maar de meeste calvinisten en rooms-katholieken verwierpen het darwinisme als in strijd met de bijbel. Bovendien was het moeilijk materialistische interpretaties gescheiden te houden van het darwinisme zelf. Vaak werden ze beide verworpen vanwege de morele en sociale gevolgen van het materialisme.
In zijn rede over Evolutie (1899) beklemtoonde Abraham Kuyper het onderscheid tussen leer en theorie. De evolutieleer was verwerpelijk omdat het de evolutie onafhankelijk maakte van God. De evolutietheorie kon echter worden aangenomen als een door God bestuurd proces. Hij maakte alleen niet duidelijk hoe in dat geval de bijbel uitgelegd moest worden. Daarom aanvaardden de meeste gereformeerden het darwinisme pas in de tweede helft van de twintigste eeuw door het werk van twee sleutelfiguren. Jan Lever interpreteerde in navolging van Kuyper evolutie als goddelijke voorzienigheid. N.H. Ridderbos volgde de kadertheorie van A. Noordtzij, waarin Genesis 1 en 2 werd uitgelegd als een leermodel in plaats van een ooggetuigenverslag. Een minderheid bleef het darwinisme verwerpen en sloot zich later aan bij Amerikaanse geestverwanten. Deze groep is tot een internationale beweging uitgegroeid (creationisme) en put wetenschappelijke feiten uit de bijbel (biblicisme). Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is er binnen en buiten het christendom hernieuwde belangstelling voor de mogelijkheid van een planmatig gerichte evolutie.
Darwin gaf ook een evolutionaire verklaring van rationaliteit, moraliteit en religiositeit. Hij betwijfelde de betrouwbaarheid van de rede, omdat het volgens zijn theorie niet gericht was op waarheid maar op overleving. Alvin Plantinga heeft aangetoond dat deze conclusie volgt uit de combinatie van evolutietheorie met naturalisme. Zijn kritiek is gebaseerd op het genormeerd en doelmatig functioneren van levensprocessen. Normering en doelstelling blijven filosofisch en praktisch onopgeloste problemen in de biologie. Ook onopgelost blijft de biologische basis van rede, moraal en religie. Na een aanvankelijk speculatieve fase die bekend staat als sociobiologie, worden deze vragen nu bestudeerd in de neurobiologie, de evolutionaire psychologie en de biologische antropologie.
Auteur
Jitse M. van der Meer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.G. Hegeman, ‘Darwin en onze voorouders. Nederlandse reacties op de evolutieleer 1860-1875: een terreinverkenning’, in: Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 85(1970) 261-314
J. Lever, Geïntegreerde biologie (Utrecht 1973)
I.N. Bulhof, ‘The Netherlands’, in: T.F. Glick (red.),The comparative reception of Darwinism (Austin/ London 1974) 269-306
P. Smit, ‘Hugo de Vries (1848-1935)’ in: A.J. Kox en M. Chamalaun (red.), Van Stevin tot Lorenz (Amsterdam 1980) 163-176
J.H. Brooke, Science and Religion, VII (Cambridge 1991)
A. Plantinga, Warrant and proper function (New York/Oxford 1993)
R.P.W. Visser, ‘Van afwijzing naar aanpassing: Nederlandse gereformeerden over Darwin’s evolutietheorie, 1900-1960’, in: Gewina 17 (1994) 112-127