De armenzorg wordt uitgekleed, betoogt Herman Noordegraaf in zijn column. Wat zegt de Christelijke Encyclopedie over dit mooie woord?
Verouderde aanduiding van de hulp aan mensen die, door wat voor oorzaak ook, niet in staat zijn zelf in hun onderhoud te voorzien.
Deze hulp wordt verleend door de kerk (diaconaat, caritas), door de overheid (bijstand) of door particulier initiatief. De christelijke kerk rekende van de aanvang af de hulp aan armen tot een van haar hoofdtaken. In de Middeleeuwen werd de hulp aan armen gerekend tot de goede werken, waartoe zowel de leken als de geestelijkheid werden opgeroepen. Tegelijkertijd deed in de opkomende steden de stadsoverheid aan armenzorg in het belang van de openbare orde. De Reformatie rekende de hulp aan armen weer nadrukkelijk tot de taken van de kerk. De overheid vulde dit werk van de kerk op dit terrein aan (subsidiariteit), totdat in de twintigste eeuw door sociale wetgeving het recht op bijstand als een van de sociale grondrechten werd gehonoreerd. Sindsdien spelen de kerken en particuliere instellingen daar aanvullend en corrigerend op in.
Auteur
L.C. van Drimmelen [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
L.C. van Drimmelen en P. van Oosten, ‘De Kerkelijke Armenzorg’, in: L. C. van Drimmelen en T. J. van der Ploeg (red.), Kerk en Recht (Utrecht 2004)