Duitse evangelisch theoloog (Berlijn 25.3.1822 - Göttingen 20.3.1889)
Hoogleraar in Bonn (1852) en Göttingen (1864). Centraal in zijn theologie stond de leer van de verzoening: God hoeft niet verzoend te worden door het lijden en sterven van Jezus, omdat God te allen tijd liefde is en blijft. De toorn Gods is alleen eschatologisch van belang. Daarentegen wordt wel de mens verzoend door Gods liefde. Omdat de verzoening een persoonlijke ervaring is, volgt deze op de rechtvaardiging.
Een tweede centraal thema was het Rijk Gods (zie Koninkrijk van God): de meest omvattende verbinding, de zedelijke wereldorde, van mensen onder elkaar. Voorts vond Ritschl dat kennis over God alleen te verwerven is door de persoon van Jezus. Ritschl wees het piëtisme en de mystiek af. In zijn optiek zorgde vooral de mystiek voor de onderwaardering van het evangelie en van de ethiek die daarmee samenhangt.
Enkele van zijn belangrijkste werken zijn Die christliche Lehre von der Rechtfertiging und Versöhnung, 3 delen (1870-1874) en Geschichte des Pietismus, 3 delen (1880-1886).
Auteur
E.G. Hoekstra [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]