Historicus (Groningen 7.12.1872 - De Steeg 1.2.1945)
Studeerde Nederlandse letteren in Groningen en promoveerde op De vidusaka in het Indische toneel (1897). Werd in datzelfde jaar geschiedenisleraar te Haarlem. In 1905 werd hij benoemd tot hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis te Groningen. In 1914 werd Huizinga hoogleraar aan de Leidse universiteit. Als rector magnificus ontzegde hij in 1933 een antisemitisch lid van een Duitse delegatie de toegang tot de universiteit. In 1942 diende hij zijn ontslag in als hoogleraar en was hij enkele maanden gegijzeld in St. Michielsgestel.
Huizinga was een grote geestesgestalte. Als historicus had hij de gave van de ‘historische sensatie’: de tijdsoverschrijdende aanraking met het verleden zelf. Zijn hoofdwerk, Herfsttij der middeleeuwen (1919), roept een dergelijke sensatie op. Hij publiceerde op zeer uiteenlopende terreinen: De opkomst van Haarlem (1905), Mensch en menigte in Amerika (1918), Erasmus (1924) en vele andere studies. Tevens schreef hij beschouwingen over het vak van de historicus, zoals De wetenschap der geschiedenis (1937).
Hij had een sterke schroom in zijn historische werk het metafysische beginsel – God, de hogere werkelijkheid – te noemen of te benoemen; het onzegbare – de mystieke vonk – moest onzegbaar blijven. Maar wanneer de tijd ertoe drong, getuige In de schaduwen van morgen (1935) en Geschonden wereld (1943), schreef hij over de hogere wezensgrond van de geschiedenis en van het heden: ‘een cultuur zal metafysisch zijn of zij zal niet zijn’.
Auteur
Ewald Mackay [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W.E. Krul, Historicus tegen de tijd. Opstellen over leven en werk van J. Huizinga (Groningen 1990)
A. van der Lem, Johan Huizinga (Amsterdam 1993)
E. Mackay, Gedenkstenen in de Jordaan (Heerenveen 2000)