Wetenschap die zich bezighoudt met de geschiedenis en de plaats van de godsdienst in de culturele en politieke context van een samenleving.
Het is een jonge wetenschap, die niet eerder kon opkomen dan nadat het begrip ‘godsdienst’ in de moderne zin van het woord was geconceptualiseerd. Pas vanaf het midden van de achttiende eeuw kon de godsdienst bestudeerd worden, los van de inhoud van de christelijke openbaring. De oorzaak van deze ontwikkeling was veelvoudig. De opkomst van de drukpers, het groeiende aantal reisverslagen met rapportages van vreemde godsdiensten en de Verlichting hebben hierbij een rol gespeeld.
Het heeft lang geduurd voordat de godsdienstwetenschap een algemeen erkend begrippenapparaat ontwikkelde. Het was de Göttinger bibliothecaris en classicus Christian Gottlob Heyne (1729-1812) die in 1764 de term ‘mythe’ introduceerde. Hij wilde daarmee aangeven dat de verhalen van de Grieken en de Romeinen meer waren dan vermaak; zij gaven ook inzicht in de Volksgeist van een bepaalde cultuur. Het was de tijd van de opkomende natiestaat en daarmee werd mythologie in eerste plaats in dienst gesteld van de reconstructie van de oergeschiedenis. Tegelijkertijd begon nu ook een spannende periode waarin verschillende heilige boeken, zoals de Perzische Avesta (1771) en de Indische Upanisaden (1801), ter beschikking kwamen, terwijl ook de hiërogliefen (1822) en het spijkerschrift (1847-51) werden ontcijferd. Daarmee werd de basis voor primair onderzoek naar oude godsdiensten enorm verbreed. Hierdoor kwam het christendom onder toenemende druk te staan, die verder werd opgevoerd door D.F. Strauss’ Das Leben Jesu (1835) en de publicaties van Darwin.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de stichter van de godsdienstwetenschap Friedrich Max Müller (1823-1900) de godsdienstwetenschap in dienst stelde van een beter begrip van de godsdienst en het christendom in het bijzonder. Door de studie van andere godsdiensten zouden zijn tijdgenoten beter waarderen wat voor schatten het eigentijdse christendom bevatte. In zijn geval mondde de godsdienstwetenschap dan ook uit in een soort godsdienstwijsbegeerte die beoogde de godsdienst redelijk te funderen. Müller was vooral geïnteresseerd in ideeën, net als bij andere godsdienstwetenschappers die de godsdienst willen verdedigen, zoals Gerardus van der Leeuw en Mircea Eliade: zodra men meer in detail het godsdienstige gedrag gaat bestuderen, komt men bij allerlei vreemde en soms afstotende praktijken. Deze voorkeur voor ideeën en een verdediging van de plaats van de godsdienst in de moderne tijd wordt ook gevonden bij zijn jongere tijdgenoten E.B. Tylor (1832-1917) en James George Frazer (1854-1931), hoewel het verschillend uitgewerkt werd en hoeveel merkwaardigs Frazer ook verzamelde in zijn beroemde The Golden Bough.
Het is echter de Schot William Robertson Smith (1846-1894) die een beslissende stap deed naar de moderne tijd. Hij stapte af van de focus op de mythe en ideeën en richtte zich op de rite als centrale activiteit van de religieuze groep. Deze nadruk op de groep beïnvloedde Emile Durkheim (1858-1917), de stichter van de godsdienstsociologie; ook Max Weber begon na 1900 een serie imposante studies over het verband tussen de godsdienst en de ethiek van een bepaalde cultuur.
Het was eveneens rond 1900 dat de opwekkingsbewegingen in Amerika de aandacht richtten op de psychologische kant van de godsdienst. William James (1842-1910) en Sigmund Freud, die ook beïnvloed was door Robertson Smith, zijn hier de grote pioniers, ook al heeft de godsdienstpsychologie nooit echt erkenning gevonden bij de andere takken van de godsdienstwetenschap.
Na de Eerste Wereldoorlog zien we een zekere verstarring optreden in de godsdienstwetenschap die zich vooral op de geschiedenis van de godsdienst blijft richten. In Nederland waren de godsdienstwetenschappers dan ook Egyptologen. De studie van de godsdienst in het veld werd ‘overgedaan’ aan de culturele antropologie, en pas de laatste decennia van de twintigste eeuw convergeren de historische en antropologische aanpak weer, waarbij vooral als manifestatie van een bepaalde cultuur wordt geanalyseerd. Een moderne studie van de godsdienst daarom ook niet meer de taak van één specialisme zijn. Antropologische, sociologische, historische, filologische en psychologische benaderingen van de godsdienst horen in teamverband te worden bestudeerd.
Auteur
J.N. Bremmer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.G. Kippenberg, Discovering Religious History in the Modern Age (Princeton 2002)
Themanummer Nederlands Theologisch Tijdschrift 57 (2003) 265-320
A.L. Molendijk, The Emergence of the Science of Religion in The Netherlands (Leiden 2005)