Oostenrijks zenuwarts, grondlegger van de psychoanalyse (Freiburg 6.5.1856 - Londen 23.9.1939)
Sigmund Freud begon als succesvol neurologisch onderzoeker – hij ontdekte onder meer de pijnstillende werking van cocaïne – maar kon op grond van zijn joodse afkomst niet rekenen op een academische carrière. Om den brode begon hij een eigen praktijk, in welke hij ‘nerveuze’ stoornissen aanvankelijk met elektrotherapie en hypnose behandelde. In de samenwerking met vriend en collega J. Breuer ontdekte hij de verdringing en andere onbewuste processen; hun in 1895 gepubliceerde Studien über Hysterie markeert het begin van de psychoanalyse.
In zijn hoofdwerk Die Traumdeutung (1900) argumenteert Freud dat de droom de belangrijkste toegang tot het onbewuste is: de manifeste, deels herinnerde inhoud van de droom is het resultaat van vervorming (Traumarbeit) van een latente inhoud, die onbewust is. Door vrij te associëren (vrij alles zeggen wat te binnen schiet, zonder zich door schaamte of wat ook te laten censureren) over elementen van de manifeste inhoud, kan de patiënt met behulp van de interpretaties van een analyticus toegang krijgen tot zijn onbewuste. Dat zou toegang geven tot verdrongen wensen en tot psychische beschadigingen in een eerdere levensfase, die zich in klachten en disfunctioneel handelen kunnen manifesteren.
Op grond van zijn klinisch onderzoek ontwikkelde Freud belangrijke inzichten over de ontwikkeling van de menselijke seksualiteit en de persoonlijkheidsvorming, die hij in telkens nieuwe theoretische concepten trachtte te formuleren. Hij gaf daarmee verschillende, elkaar niet uitsluitende ‘topische’ modellen van de persoonlijkheid: het eerste (uit 1915) onderscheidt de onbewuste, voorbewuste en bewuste ‘systemen’, het tweede (uit 1923) de ‘instanties’ Es, Ich en Über-Ich). Ofschoon Freud lange tijd hoopte dat voor zijn vondsten en concepten een biologische-fysicalistische basis gevonden zou kunnen worden, werd zijn theorievorming steeds hermeneutischer van aard en werd de psychoanalyse in toenemende mate ook een theorie over kunst en cultuur. Hij leverde zelf vele bijdragen tot psychoanalytische interpretaties van kunstwerken en cultuurhistorische gegevens, ook van de religie.
Freud heeft vele persoonlijke teleurstellingen moeten incasseren, onder meer antisemitische discriminatie, professionele tegenslagen, conflicten met aanvankelijke aanhangers en overlijden van kinderen, maar zijn psychoanalyse werd niet zo tegengewerkt als hij dat wel eens suggereerde. In 1938 vluchtte hij, al jarenlang door ziekte geteisterd, vanwege de annexatie van Oostenrijk door de nazi’s naar Londen.
Freuds mensbeeld was pessimistisch: anders dan de overschatting die de psychologische wetenschappen later in de twintigste eeuw vaak ten deel is gevallen, stelde hij dat de psychoanalyse in het beste geval een bijdrage zou kunnen leveren de mens van ‘neurotische ellende’ te bevrijden, niet van het ‘gewone ongeluk’. Ook had hij een scherp oog voor de methodologische grenzen van de competentie van de psychoanalyse. Op grond van zijn persoonlijk atheïsme zijn Freuds bijdragen tot de godsdienstpsychologie doorgaans uiterst kritisch over de religie. Ofschoon Freud haar grote culturele en individuele waarde toeschrijft, meent hij toch dat religie te zeer het gevolg is van infantiel gebleven wensen, en dat men er verstandiger aan doet op de wetenschap te vertrouwen. Zijn eigen psychoanalyse beschouwde hij echter als een neutraal wetenschappelijk element, en hij had er dan ook geen moeite mee indien zijn medewerkers haar apologetisch voor het christendom inzetten, zoals hij ook de individuele religiositeit zeker niet als ziekelijk beschouwde.
Hoewel Freud zich doorgaans sceptisch uitte over wijsbegeerte, heeft de psychoanalyse, en met name zijn eigen werk, belangrijke invloed gehad op grote delen van de filosofie, de geesteswetenschappen en het cultuurleven in het Westen.
Zijn belangrijkste werken zijn te vinden in Gesammelte Werke: Chronologisch geordnet. Hg. A. Freud; 18 Titel in 17 Bände (London/Frankfurt 1940-1987) en in The Standard Edition of the Complete Psychological Works of Sigmund Freud, ed. J. Strachey; 24 vols (Londen 1953-1966).
Auteur
J.A. van Belzen [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E. Jones, Sigmund Freud, volumes 1-3 (New York 1953-1957)