Vorig jaar liet Dawkins nog weten een school te willen oprichten waarin kinderen wordt geleerd dat ze atheïsten zijn.
Verzameling van wetenschappelijke verklaringen van de oorsprong van het leven.
Afhankelijk van het evolutiestadium onderscheidt men chemische, biologische en geestelijke evolutie. Chemische evolutietheorieën veronderstellen dat moleculen geleidelijk ingewikkelder werden voordat levende organismen ontstonden. Hiervoor zijn darwinistische verklaringen voorgesteld (zie darwinisme). Dit betekent dat moleculen zich moeten kunnen vermenigvuldigen, dat er variatie moet zijn onder de nakomelingen, en dat alleen de beter aangepaste dochtermoleculen zich verder vermenigvuldigen.
RNA-moleculen zijn voorgesteld als de beste kandidaat. Francis Crick (1916-2004) en Fred Hoyle (1915-2001) hebben echter publiek hun vertrouwen in chemische evolutietheorieën opgezegd. Zij veronderstellen dat levende organismen buiten de aarde zijn ontstaan. Ook volgens Vollmert (1983), Thaxton, Bradley en Olsen (1984) en Shapiro (1986) blijft scheikundig gezien de overgang van molecuul naar levend organisme onopgelost. Verklaringen voor de evolutie van molecuul naar cel staan daarom sterk onder levensbeschouwelijke invloed.
Het darwinisme is de belangrijkste verklaring voor biologische evolutie. Hier worden alleen niet-darwinistische verklaringen besproken. Volgens Løvtrup (1987) is evolutie niet een geleidelijke verandering op groepsniveau, maar een sprongsgewijze mutatie in het individuele embryo. Selectie verwijdert individuen met schadelijke mutaties. Volgens de neutrale theorie is evolutie een groepsverschijnsel. Selectie speelt geen rol omdat de meeste mutaties niet voordelig of nadelig zijn. De fixatie van een mutatie in een populatie is niet een biologisch maar een statistisch verschijnsel. In kleine populaties kan het gemiddelde percentage van een mutatie toevallig sterk afwijken van het statistisch betrouwbare gemiddelde in een grote populatie. Het percentage van deze mutaties neemt toe door voortplanting. Op grond hiervan formuleerden Eldredge en Gould (1972) de punctualistische evolutietheorie, die stelt dat nieuwe soorten snel ontstaan in kleine groepen zodat fossielenreeksen geen geleidelijke overgangen vertonen.
Geestelijke evolutie betreft de ontwikkeling van rationaliteit, moraliteit en religiositeit. Volgens het darwinisme bestaan deze vermogens omdat bezitters meer nakomelingen hebben dan degenen die deze vermogens niet hebben. Verstand bestaat omdat je met kennis meer nakomelingen krijgt dan zonder. Verstand wordt dus geselecteerd op basis van overleven en niet op basis van waarheid. Vandaar dat Darwin zijn eigen redeneringen wantrouwde. Ook religie bestaat omdat het groepsgedrag bevordert en groepsgedrag zou een toename van het aantal nakomelingen veroorzaken. Het probleem met deze verklaring is dat groepsgedrag ook door andere oorzaken dan religie kan worden verklaard.
Mayr (1980) onderscheidde vijf typen evolutietheorie op grond van het soortbegrip en het erfelijkheidsbegrip. Nominalistische en realistische evolutietheorieën hebben verschillende soortbegrippen. Volgens het nominalisme bestaan alleen individuele organismen buiten de menselijke geest. Soorten en geslachten zijn namen of universele begrippen die niet onafhankelijk van de menselijke geest bestaan. Volgens het realisme is dit wel het geval, want een soort wordt gekenmerkt door de eigenschappen die alle leden gemeenschappelijk hebben. Carolus Linnaeus (1707-1778) had een realistisch begrip van de soort en het geslacht; hogere classificatie-eenheden vatte hij nominalistisch op. Volgens het realisme zijn gemeenschappelijke kenmerken essentieel voor de soort.
Dit essentialisme werd versterkt door de herontdekking van de wetten van Mendel omdat die geïnterpreteerd werden als een verklaring voor de essentiële kenmerken. De combinatie van Mendel en essentialisme leidde tussen 1900-1920 tot een verwaarlozing van biologische variatie en van de nominalistische evolutietheorie van het darwinisme. Uiteindelijk kon het essentialisme van de realistische soortopvatting niet overweg met biologische variatie en geleidelijke soortovergangen zoals in Oost-Rusland. Daar bestaan twee gescheiden soorten koolmezen, terwijl ze in Zuid-Azië geleidelijk in elkaar overgaan. Dit betekent dat dezelfde kenmerken essentieel waren voor de soort in Oost-Rusland, maar niet elders. Het probleem is dat bijvoorbeeld alle stukken koper dezelfde eigenschappen hebben, maar dat dit niet geldt voor alle leden van een biologische soort. Daarom heeft het darwinisme een nominalistisch soortbegrip.
Het onderscheid tussen genotype (totaal van alle genen) en fenotype (alle lichamelijke eigenschappen) is voor
moderne genetici vanzelfsprekend. Dit was niet zo voor Darwin en de darwinisten. Tot ongeveer 1920 werden deze begrippen vaak verward. De term mutatie bijvoorbeeld werd gebruikt voor genotypische zowel als fenotypische veranderingen. Daardoor werd de erfelijkheid van verworven fenotypische eigenschappen algemeen aanvaard als een oorzaak van genotypische variatie en dus onderworpen aan selectie. Dit heeft de aanvaarding van de neodarwinistische evolutietheorie vertraagd, ondanks de afwijzing van de erfelijkheid van verworven eigenschappen door August Weismann (1834-1914) en Hugo de Vries (1848-1935).
Wetenschapsfilosofisch gezien is de algemene biologische evolutietheorie een theorie op het hogere niveau van een onderzoeksprogramma. Meer specifieke theorieën werden daarvan afgeleid op basis van verschillende bijkomende hypothesen. Dit betekent dat de algemene evolutietheorie weliswaar blootstaat aan experimentele beproeving, maar dat dit alleen maar indirect het geval is. Als er negatief bewijsmateriaal is, worden eerst de theorieën van lager niveau bijgesteld of vervangen. Kritiek vanuit de scheikunde van evenwichtsreacties op de evolutie van DNA zou kunnen worden verworpen indien er scheikundige redenen zouden zijn waardoor de reactie in de richting van DNA kan verlopen (Vollmert 1983). De vraag of dit in het verleden ook zo is gebeurd, kan alleen worden beantwoord met huidige reconstructies.
In dat geval functioneert de algemene evolutietheorie als context voor de interpretatie van waarnemingen. Het is niet altijd duidelijk wat als negatief bewijs kan gelden. Organismen lijken planmatig ontworpen te zijn. Naturalisten geloven dat hiervoor een natuurlijke verklaring bestaat. Zij zien het daarom niet als bewijs tegen de evolutietheorie. Anderzijds geloven theïsten dat planmatig ontwerp op een planmatig handelend persoon wijst. Volgens hen moet de natuurwetenschap planmatige natuurverschijnselen verklaren uit het planmatig handelen van personen, zoals dat gebeurt in de criminologie.
De ontwikkeling van evolutietheorieën staat onder invloed van ervaringskennis en wereldbeschouwing. Ervaring met biologische variatie groeide enorm door expedities in de zeventiende en achttiende eeuw. Aanvankelijk werd deze variatie verklaard uit het directe ingrijpen van God. Volgens de natuurlijke theologie had God in zijn voorzienigheid elk organisme geschapen voor een bepaald doel op een bepaalde plaats. Deze benadering liep vast en werd vervangen door verklaringen uit natuurlijke en historische oorzaken. Zulke verklaringen zijn logisch gezien onafhankelijk van wereldbeschouwingen zoals het naturalisme en het historisme. Maar de historische ontwikkeling van deze verklaringsidealen werd wel bevorderd door deze wereldbeschouwingen.
Vooral Kuyper (1837-1920), Diemer (1904-1945) en Lever (1922-2010) benadrukten dat Gods voorzienigheid en natuurlijke of historische verklaringen elkaar niet uitsluiten. Christelijke interpretaties van evolutietheorieën in Nederland volgen hetzelfde patroon als die van het darwinisme.
Auteur
Jitse M. van der Meer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.H. Diemer, Natuur en wonder (Amsterdam 1963)
N. Eldredge, S.J. Gould, ‘Punctuated equilibria: an alternative to phyletic gradualism’, in: T.J.M. Schopf (ed.), Models in paleobiology (San Francisco 1972)
E. Mayr, ‘Introduction’, in: E. Mayr a.o (ed.), The evolutionary synthesis (Cambridge 1980)
B. Vollmert, Polykondensation in Natur und Technik (Karlsruhe 1983)
C.B. Thaxton, W.L. Bradley, R.L. Olsen, The mystery of life’s origin (New York 1984)
S. Houtman, S. de Jong, A.W. Musschenga, W.J. van der Steen, Schepping en evolutie (Kampen 1986)
R. Shapiro, Origins (New York 1986)
S. Løvtrup, Darwinism: the refutation of a myth (London 1987)