Leer van de culturele aspecten van het menselijke gedrag.
Antropologie hangt nauw samen met psychologie en sociologie, maar verschilt waar psychologie studie maakt van het individuele menselijke gedrag, en sociologie van menselijk gedrag in groepsverband. Antropologie bestudeert menselijke uitingen in cultuur. Zij legt een sterk accent op het menselijke vermogen om de wereld in symbolen te ervaren en elkaar symbolen aan te leren. Ook let zij scherp op het gebruik van symbolen waarmee de mens de leefomgeving en zichzelf naar de hand probeert te zetten.
Antropologie wordt over het algemeen in vier gebieden onderverdeeld: antropobiologie of fysische antropologie, over de mens als biologisch organisme, over het gedrag van primaten en het ontstaan van de mens vanuit evolutionair oogpunt en bevolkingsgenetica; archeologie, over overblijfselen van menselijke culturen; linguïstiek, over de variatie in taal en het sociaal gebruik van taal en de relatie tussen taal en cultuur; culturele antropologie, over de religie, het sociale gedrag en de economische structuur van volken en groepen.
Binnen de geneeskunde bestond een stroming die zich uitdrukkelijk positioneerde als antropologische geneeskunde. Hiermee werd beoogd tegenwicht te bieden tegen verschraling en dehumanisering van de geneeskunde. Door vertechnisering van haar praktijk dreigde het typisch menselijke in ziekte en gezondheid uit beeld te raken. Deze stroming leverde kennis op over psychosomatische aandoeningen en mondde uit in het vak medische psychologie.
De wijsgerige antropologie is een vak in de filosofie dat zich bezighoudt met de structuur van de mens. Belangrijke thema’s zijn de varianten van de verhouding tussen lichaam en geest, of van het ontbreken daarvan, het onderscheid tussen mens en dier, en tussen mens en machine. Een opvallende bevinding in de wijsgerige antropologie is dat de mens vaak over zijn eigen aard en eigenschappen nadenkt in termen van de aard en eigenschappen van hoogwaardig gereedschap, dat eigenlijk niet veel meer dan een beperkt aantal menselijke functies versterkt. Zo heeft de stoommachine, ter versterking van de menselijke voortbeweging, model gestaan voor de mens, waardoor er bijvoorbeeld energieën, spanningen, weerstanden en noodzaak tot ventileren aan de mens werden toegekend.
In het christelijk wijsgerig denken over de structuur van de mens staat het onderscheid tussen God en mens, als schepper en schepsel centraal. Dit denken staat kritisch tegenover elke opvatting waarin dit onderscheid wordt weggewist. Dit kan gebeuren door in de structuur van de mens goddelijke elementen te onderkennen, waardoor de mens zichzelf of delen van zichzelf tot een afgod maken zou. Ook verdwijnt het onderscheid tussen schepsel en schepper als in de menselijke structuur elementen onderkend zouden worden die enige mate van zelfstandigheid van het schepsel tegenover zijn schepper bedoelen, alsof deze toch niet geschapen zouden zijn. Daarmee zou de mens ten onrechte menen zich aan God te kunnen onttrekken of voor hem onbereikbaar te kunnen zijn.
Auteur
J.W.G. Meissner [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
C.A. van Peursen, Lichaam, ziel, geest (Amsterdam 1956)
W.J.M. Dekkers, Het bezielde lichaam: het ontwerp van een antropologische fysiologie en geneeskunde volgens F.J.J. Buytendijk (Zeist 1986)
W.J. Ouweneel, Proeve van een christelijk-wijsgerige anthropologie (Amsterdam 1986)
P. Kloos, Culturele antropologie (Assen 1995)