De term werd in de tweede helft van de negentiende eeuw geïntroduceerd door Edward Burnett Tylor (1832- 1917), de grondlegger van de culturele antropologie.
Animisme betekende voor hem ‘het geloof in geestelijke wezens’, en speelde een centrale rol in zijn werk omdat het de primitieve kern en grondvorm van alle religie zou zijn (Primitive Culture, 1871). Het tegendeel van animisme is materialisme, waarop de wetenschap is gebaseerd.
Hoewel ook het christendom vanuit Tylors perspectief in wezen niets anders is dan een hoog ontwikkelde vorm van animisme, is de term sinds Tylor toch vooral geassocieerd geraakt met de idee van geestelijke wezens die aanwezig zijn in de natuur, en dus met ‘primitieve’ natuurverering. In het bijzonder het zogeheten fetisjisme – de verering van geestelijke wezens die aanwezig zouden zijn in materiële objecten, zoals beelden – is vaak bij uitstek gezien als animisme. In de moderne godsdienstwetenschap heeft de term animisme plaatsgemaakt voor een neutralere terminologie.
Auteur
Wouter J. Hanegraaff [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Wouter J. Hanegraaff, ‘The Emergence of the Academic Science of Magic: The Occult Philosophy in Tylor and Frazer’, in: Arie L. Molendijk & Peter Pels, Religion in the Making (Leiden 1998)