Passief kiesrecht, het recht om in openbare lichamen verkozen te worden, kregen vrouwen in Nederland in 1917, gelijktijdig met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht; in 1919 volgde het recht om als kiezer op te treden, het actief kiesrecht.
Met dit recht liep Nederland in de pas met internationale ontwikkelingen; België kende eerst na de Tweede Wereldoorlog het volledig kiesrecht toe aan vrouwen. In Nederland had de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht onder leiding van Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs gepleit voor dit recht. Het duurde ruim een halve eeuw voordat vrouwen in de politiek meer dan tien procent van alle zetels in vertegenwoordigende lichamen bezetten; rond 1980 bereikten ze twintig procent.
In 1953 werd Anna de Waal de eerste vrouwelijke staatssecretaris; in 1956 werd Marga Klompé de eerste vrouwelijke minister; in 1977 was PPR-Kamerlid Ria Beckers de eerste vrouwelijke lijsttrekker. Op grond van antidiscriminatiewetgeving nam de overheid eind jaren tachtig politieke en bestuurlijke participatie van vrouwen serieus. In 2004 telde de Tweede Kamer zestig vrouwelijke leden, het hoogste aantal ooit.
Voor confessionele partijen was de participatie van de vrouw in het openbaar bestuur aanvankelijk verre van logisch. In 1921 heette het in het antirevolutionaire dagblad De Standaard een ‘groot gevaar dat ons leven bedreigt’ en een ‘aanslag op de ordeningen Gods in het leven’. In de christelijke politiek was C.F. Katz in 1922 voor de Christelijk-Historische Unie het eerste vrouwelijke Tweede Kamerlid. In 1963 nam J.C. Rutgers als eerste vrouwelijke vertegenwoordiger van de Anti-Revolutionaire Partij zitting in de Tweede Kamer. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) de enige christelijke politieke partij die vrouwen op kieslijsten weigert.
Auteur
Tineke van der Waal-Goudriaan [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.J. van de Streek, ‘Tegen de ordeningen Gods. Sekse en kiesrecht in de christelijke politiek, 1905-1919’, in: H.J. van de Streek (red.), Christelijke politiek en democratie (Den Haag 1995), 97-125