Particuliere handelsmaatschappij, eigendom van aandeelhouders (participanten), in 1602 ontstaan door de fusie van tien Voorcompagnieën.
De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) kende vijf Kamers, te Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft en Hoorn, geleid door de Heren Zeventien, een delegatie van de plaatselijke bewindhebbers. Vanwege de Tachtigjarige Oorlog verleenden de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden de VOC een monopolie in de vaart op de landen ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van Kaap Magelhaes, en een aantal overheidsrechten.
Voor haar intra-Aziatische handel en de aankoop van retourgoederen (specerijen, textiel, koffie, thee, suiker) zette de VOC een netwerk van honderden handelsposten op. Sinds 1619 zetelden in Batavia (Jakarta) de Gouverneur-Generaal en Raad van Indië en de centrale administratie. De VOC werd dus tevens een maritieme staat, met bezittingen in vele delen van Afrika en Azië. Op haar nederzettingen ontstonden koloniale-multiculturele samenlevingen, inclusief christelijke gemeenten.
De VOC speelde een belangrijke rol in de opbouw van de globale economie en de verbreiding van de kennis van Azië in Europa. Zij werd in 1795 door de Bataafse Republiek om financiële en politieke redenen onder staatstoezicht gesteld en in 1799 opgeheven.
Auteur
G.J. Schutte [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
F.S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC (Zutphen 2002)
G.J. Schutte red., Het Indisch Sion. De Gereformeerde kerk onder de VOC (Hilversum 2002)