Beginsel in de katholieke sociale leer, uitgelegd in de encycliek Quadragesimo anno.
Subsidiariteit begint met de erkenning van de verantwoordelijkheid van individuele mensen in kleine gemeenschappen. Het wordt onrechtvaardig genoemd indien die taken worden overgedragen aan of overgenomen door een grote gemeenschap, bijvoorbeeld de staat. Indien kleine gemeenschappen niet tot het uitvoeren van hun taken in staat zijn, dan kan de overheid die taken overnemen op grond van rechtvaardigheid en algemeen welzijn. In dat geval treedt de overheid subsidiair op: helpend of in de plaats tredend. Subsidiariteit ligt besloten in de organische gedachte, dat de maatschappij niet slechts is opgebouwd uit individuen, maar uit kleinere en grotere gemeenschappen die in een hiërarchische verhouding staan tot de staat als een verband van hogere orde. Omdat de staat aan die rangorde zijn subsidiaire bevoegdheid en in laatste instantie het recht tot interventie ontleent, dient subsidiariteit ertoe overheidsbemoeienis beperkt te houden.
Subsidiariteit moet worden onderscheiden van het calvinistische beginsel van soevereiniteit in eigen kring, dat betrekking heeft op een horizontale maatschappelijke ordening. Toch sluiten die twee beginselen op bepaalde punten bij elkaar aan, omdat zij impliceren dat individuele mensen primair verantwoordelijk zijn voor hun handelingen, dat maatschappelijke verbanden hun eigen zaken behoren te regelen en dat de staat vervolgens regelend kan optreden ter bevordering van rechtvaardigheid en algemeen welzijn.
Hoewel tussen katholieke en calvinistische denktradities belangrijke verschillen bestaan, zijn de politiek-theoretische verschillen tussen subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring slechts accentverschillen, die in de politieke praktijk marginaal of nihil zijn.
Auteur
H.E.S. Woldring [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]