Studie over ‘het ontstaan, het wezen, de vormen van den staat’ (R. Kranenburg, Algemeene staatsleer).
Inhoudelijk gesproken gaat zij terug tot Plato en Aristoteles; de term als zodanig is pas in de negentiende eeuw gangbaar geworden. Staatsleer kan, zeker oorspronkelijk, worden beschouwd als een onderdeel van de staatsrechtswetenschap. Anders dan bijvoorbeeld in Duitsland is dit deelgebied in Nederland niet tot grote bloei gekomen. In de periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog zijn er weliswaar enkele werken op dit gebied verschenen, waarvan die van H. Krabbe, Kranenburg en – vanuit het perspectief van de reformatorische wijsbegeerte – H. Dooyeweerd de belangrijkste vormen.
Sindsdien is de staatsleer echter op de achtergrond geraakt binnen de staatsrechtswetenschap. Een verklaring hiervoor vormt het positivistische karakter van de Nederlandse beoefening van het staatsrecht. Een andere oorzaak is gelegen in de naoorlogse opkomst van de politieke wetenschap, die eveneens de staat als voornaam voorwerp van onderzoek heeft. Deze laatste situatie heeft aanleiding gegeven tot enkele pleidooien voor nauwere samenwerking tussen staatsrechtswetenschap en politicologie, die echter grotendeels zonder gevolg zijn gebleven.
Nu binnen de politieke wetenschap de nadruk meer is komen te liggen op politiek gedrag, en de bestudering van de staat – voorzover deze nog plaatsvindt – versnipperd is geraakt over verscheidene deeldisciplines daarvan, lijdt de staatsleer een kwijnend bestaan. Behalve in wetenschappelijke kring wordt door politieke stromingen aan staatsleer gedaan. In protestants-christelijke en rooms-katholieke kring spelen daarbij vanouds het beginsel van de soevereiniteit in eigen kring respectievelijk het subsidiariteitsbeginsel een belangrijke rol.
Een poging tot synthese van beide beginselen treft men aan in het tien jaar na de oprichting van het Christen-Democratisch Appèl (CDA) gepubliceerde rapport Publieke gerechtigheid (1990). Als gevolg van het einde van de ideologieën houdt ook in politieke kring de belangstelling voor staatsleer niet over. De meeste politieke stromingen kunnen zich vinden in de uitgangspunten van de rechtsstaat, te weten: het legaliteitsbeginsel (het principe dat ieder overheidsoptreden dat ingrijpt in de vrijheden van burgers op een wettelijke grondslag dient te berusten), een zekere mate van machtsverdeling, de waarborging van grondrechten en controle op de naleving van deze uitgangspunten door een onafhankelijke rechter. Ook het beginsel dat de rechtsstaat democratisch georganiseerd behoort te zijn, ondervindt geen bestrijding meer. Hoogstens lopen de opvattingen uiteen over de vraag of, en zo ja in hoeverre, de democratische rechtsstaat tevens een sociale rechtsstaat dient te zijn. De rechtsstaatidee is echter overwegend procedureel van aard en behoeft derhalve aanvulling door andere – inhoudelijke – ideeën.
De weinig rooskleurige toestand waarin de staatsleer zich al met al bevindt, heeft verscheidene gevolgen. In de eerste plaats boeten de staatsrechtswetenschap en de politieke wetenschap in aan wetenschappelijk gehalte door de verminderde aandacht voor constitutionele theorie. Ten tweede wordt de politiek minder inhoudelijk van karakter, en neemt de nadruk op personen toe, wanneer politieke stromingen er onvoldoende in slagen een geactualiseerde maatschappij- en staatsvisie te ontwikkelen. Ten slotte komt de kwaliteit van de staatkundige praktijk in het geding, wanneer door gebrek aan kennis niet langer de lessen geleerd worden die een indrukwekkende rij bekende en minder bekende staatstheoretici, te beginnen bij Plato en Aristoteles, door de geschiedenis heen heeft willen doorgeven.
Auteur
H.-M.Th.D. ten Napel [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Krabbe, Kritische Darstellung der Staatslehre (Haag 1930)
H. Dooyeweerd, De crisis der humanistische staatsleer in het licht eener calvinistische kosmologie en kennistheorie (Amsterdam 1931)
R. Kranenburg, Algemeene staatsleer (Haarlem 1937)
S.W. Couwenberg, ‘Staatstheorie in Nederland – Terugblik en actuele situatie’, in: Civis Mundi, XXI, 3, 1982, 81-89
H.M. de Jong e.a., Staatsrecht en politicologie. Op weg naar een staatsleer? (Nijmegen 1983)
Publieke gerechtigheid. Een christen-democratische visie op de rol van de overheid in de samenleving (Houten 1990)