Leer over een normatieve maatschappelijke orde die de onderlinge verhoudingen tussen mensen, maatschappelijke verbanden en de staat bepaalt.
De katholieke sociale leer is gebaseerd op pauselijke encyclieken waarin de maatschappelijke orde wordt beschouwd als een onderdeel van de wereld die is ontstaan uit een schepping van God; een ordelijke werkelijkheid die in stand gehouden wordt door goddelijke wijsheid, ook wel de eeuwige wet of de wet van de kosmische orde genoemd. Voorzover de mens met behulp van de rede de werking van de eeuwige wet kan begrijpen, spreekt men van natuurwet of natuurlijke beginselen die ook op de natuur van de mens betrekking hebben en die hij in zijn handelen behoort te volgen. Die natuurlijke morele wet wordt onderscheiden van de goddelijke morele wet die gebaseerd is op goddelijke geboden in het evangelie.
Ook spreekt men van natuurrecht: wat op grond van redelijk inzicht in de eeuwige wet en kennis van menselijke wetten in concrete situaties als recht wordt erkend. Aan het natuurrecht worden natuurlijke rechten ontleend: recht op leven en menswaardig bestaan, vrije inrichting van eigen leven, recht op arbeid en rechtvaardige beloning, respect en onderwijs, vrije beroepskeuze en privé-eigendom, vrije verenigingen en politieke participatie. Aan die rechten zijn plichten verbonden: in liefde, rechtvaardigheid en vrede meewerken aan een morele orde in rechtsstaat en samenleving.
Fundamenteel voor de katholieke sociale leer en arbeidersbeweging zijn de encyclieken Rerum Novarum (1891) en Quadragesimo anno (1931), waarin de ellende van het proletariaat wordt beschreven en het liberaal- individualistische kapitalisme en het collectivistische socialisme (inclusief klassenstrijd) worden bekritiseerd. In de katholieke sociale leer staat solidariteit centraal, omdat ieder in verbondenheid met anderen een plaats heeft in de samenleving en omdat zij als deugd moet worden ontwikkeld, gebaseerd op naastenliefde.
Aansluitend bij solidariteit is subsidiariteit een kernbegrip: kapitaal en arbeid behoren samen te werken, maar aan arbeid komt het primaat toe, ook in internationale verhoudingen, omdat rijkdom voortkomt uit de werkzaamheid van arbeiders. Latere encyclieken bekritiseren de economische en politieke machtsongelijkheid tussen volken, het eenzijdig streven naar wetenschappelijke, technische en economische vooruitgang en materiële welvaart, en het verwaarlozen van geestelijke en morele waarden. Bekendheid kreeg de absolute afwijzing van kunstmatige geboorteregeling en het gebruik van condooms, ook in landen met snelle bevolkingsgroei en bestrijding van aids.
In de negentiende en twintigste eeuw is in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Scandinavische landen en Nederland een protestantse sociale leer ontwikkeld. Zij kreeg uitdrukking bij de oprichting van de Wereldraad van kerken in Amsterdam (1948) in het program ‘Verantwoordelijke samenleving’.
In het Nederlandse protestantisme is de sociale leer bevorderd door A. Kuyper, J.R. Slotemaker de Bruïne en W. Banning. Zij spraken over de sociale kwestie of het arbeidersvraagstuk en bekritiseerden de grote armoede in de samenleving en onrechtvaardige eigendomsverhoudingen als gevolg van het liberale kapitalisme. Kuyper en Slotemaker wezen ook het socialisme af, terwijl Banning aansluiting zocht bij een humaan of personalistisch socialisme. Volgens Kuyper ging de sociale kwestie niet alleen om de belangen van arbeiders, maar om een ‘architectonische kritiek’ op de samenleving: de fundamenten en inrichting van de samenleving waren in het geding. Op grond van solidariteit en rechtvaardigheid moest de overheid met wetten beschermend en regelend optreden in de samenleving. Ter bevordering van die overheidstaak moesten werknemers, werkgevers en andere groepen zich vrij kunnen organiseren (op grond van Kuypers idee van soevereiniteit in eigen kring) en samenwerken ter realisering van gemeenschappelijke belangen.
Hoewel in de protestantse sociale leer privéeigendom als resultaat van arbeid wordt verdedigd, mag het niet dienen als een belemmering voor medezeggenschap en medeverantwoordelijkheid van werknemers in bedrijven.
Ook erkent die sociale leer vormen van gemeenschapsbezit: publieke voorzieningen als gas-, electriciteits- en waterleidingsbedrijven, havens, wegen, bibliotheken en cultuurmonumenten; privatisering van overheidsdiensten wordt kritisch bejegend.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben B. Goudzwaard, H.M. de Lange en H.J. van Zuthem, voortbouwend op het werk van genoemde auteurs en aansluitend bij het program van de Wereldraad van kerken, de sociale leer geactualiseerd in mondiaal perspectief.
Auteur
H.E.S. Woldring [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
‘A Century of Christian Social Teaching. The Legacy of Leo XIII and Abraham Kuyper’, special issue of Journal of Markets and Morality, V, 1, (2002)