In de negentiende en twintigste eeuw verstond men onder de sociale kwestie het arbeidersvraagstuk: slechte woon- en arbeidsomstandigheden, vrouwen- en kinderarbeid, hongerlonen en massale werkloosheid werden als politieke problemen erkend.
Hoewel die problemen al vele eeuwen bestonden en vooral kerken en charitatieve instellingen de nood enigszins probeerden te lenigen, begonnen in de negentiende eeuw politici en burgers sociale kwestie in te zien dat de overheid een taak had die problemen door middel van wetgeving op te lossen. Het marxisme, socialistische arbeidersorganisaties en partijen, katholieke bisschoppen en protestantse leiders waren gangmakers tot maatschappelijke en politieke bewustwording van de sociale kwestie.
In 1891 bereikte de belangstelling voor de sociale kwestie een hoogtepunt door een internationaal congres in Brussel, waar socialisten uit diverse landen besloten in elk land een Nationaal Secretariaat van de Arbeid op te richten, die internationale contacten met elkaar zouden onderhouden. Ook verscheen in dat jaar de encycliek Rerum Novarum en werd in Nederland het christelijk-sociaal congres gehouden waar Kuyper de openingsrede hield over ‘Het sociale vraagstuk en de christelijke religie’. ‘Rerum Novarum’ en Kuypers rede bevatten hoofdlijnen van de katholieke, respectievelijk calvinistische sociale leer. In beide werd de sociale kwestie niet beschouwd als een deelprobleem van de samenleving, maar als een probleem van de samenleving als geheel, waarvan de oplossing niet werd gezocht in charitatieve acties, maar in wetten van rechtvaardigheid. Kuyper formuleerde de sociale kwestie in zijn ‘architectonische kritiek’: de fundamenten en de inrichting van de samenleving moesten ingrijpend worden herzien.
Het totstandkomen van arbeidersorganisaties en sociale wetten heeft vanwege confessionele en politiekideologische verschillen veel maatschappelijke en politieke strijd gekost. In navolging van het christelijk-sociaal congres verdedigden Kuyper en Talma het stakingsrecht van arbeiders, terwijl Patrimonium (een in 1876 opgerichte vereniging van protestantse arbeiders en patroons) tegen was en Kuyper als minister de spoorwegstakingen in 1903 met zijn zogenaamde worgwetten heeft gebroken. Talma beschouwde de vakbeweging als een strijdorganisatie van arbeiders en stimuleerde tot de oprichting in 1900 van het Christelijk Arbeidssecretariaat (CAS), dat bestaande en nog op te richten christelijke vakbonden moest bundelen.
In de katholieke arbeidersbeweging stimuleerde de priester Ariëns tot de oprichting van de Twentse christelijke textielarbeiderbond Unitas (1901), die net als de Algemene Bond van Christelijke Mijnwerkers (ABCM) een gemengd katholiek en protestants karakter had. In 1903 werd de Katholieke Sociale Actie opgericht ter bevordering van de samenwerking tussen katholieke sociale organisaties. Het episcopaat riep in 1906 en daarna katholieke arbeiders op interconfessionele verenigingen te verlaten en zich te voegen bij katholieke organisaties.
Protestantse leiders die een strijdbaarder CAS wensten en leiders van Unitas en van de ABCM, kwamen in 1909 tot de oprichting van het interconfessionele Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV); het CAS werd opgeheven. In 1908 was de Rooms-Katholieke Vakorganisatie opgericht, die in 1963 werd omgedoopt tot Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), dat in 1976 fuseerde met het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) tot de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).
In plaats van het arbeidersvraagstuk werd de sociale kwestie in de twintigste eeuw het vraagstuk van de organisatie van de arbeid: lonen, medezeggenschap en andere arbeidsvoorwaarden van werknemers in bedrijven en publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties, en belangen van uitkeringsgerechtigden. Na de Tweede Wereldoorlog werd de sociale kwestie geactualiseerd in verband met de verzorgingsstaat en ontwikkelingssamenwerking. Actualisering van de sociale kwestie blijkt ook uit het relativeren van oude tegenstellingen tussen kapitaal en arbeid, werkgevers en werknemers, links en rechts door toekomstbepalende tegenstellingen: individualisme versus gemeenschappelijke waarden, egoïstische belangen versus maatschappelijke verantwoordelijkheid, eigenbelang versus duurzame sociale zekerheid, uitkeringen versus arbeidsparticipatie, consumptisme versus zorg voor het sociaal en natuurlijk milieu.
Auteur
H.E.S. Woldring [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Zie ook
De sociale kwestie
Verder lezen
J.M. Roebroek en M. Hertogh, ‘De beschavende invloed des tijds’: twee eeuwen sociale politiek, verzorgingsstaat en sociale zekerheid in Nederland (Den Haag 1998)
J.M. Peet e.a. (red.), Honderd jaar sociaal: 1891-1991; teksten uit honderd jaar sociale beweging en sociaal denken in Nederland (Den Haag 1998)