Vraagstuk van het naast elkaar leven van verschillende mensenrassen.
De indeling van de mensheid naar ‘ras’ is van grote invloed geweest op de verhouding tussen volken en culturen. In de negentiende en twintigste eeuw zagen schijnwetenschappelijke rassentheorieën het licht, waarin oude afstammingsmythen werden onderbouwd met behulp van biologische en etnologische gegevens. Heel oud is de afstammingsmythe waarin de drie zonen van Noach in verband worden gebracht met drie werelddelen: Europa was bestemd voor het nageslacht van Jafet, Azië voor dat van Sem, Afrika voor Cham, op wie een vervloeking rustte. De ‘chamieten’ of zwarten zouden daarom in de menselijke hiërarchie op de onderste plaats komen.
In 1924 bracht de Brit J.H. Oldham, een van de architecten van de oecumenische beweging, ‘het rassenvraagstuk’ voor het eerst onder de aandacht van de kerken in zijn fundamentele studie Christianity and the Race Problem. Oldham stelde dat racisme ‘morele oorzaken’ heeft die samenhangen met verschillen in economische en sociaalpolitieke ontwikkeling. Racisme is het gevolg van superioriteitsgevoel, wantrouwen en onrecht. Hij zag in de kerk een tegenkracht, op voorwaarde dat deze haar roeping als ‘universele broederschap’ leert verstaan. Hiermee is de grondtoon gezet voor veel latere oecumenische uitspraken: racisme is zonde, morele ketterij; de kerken dienen dit kwaad principieel te bestrijden.
Dit ethisch idealisme herkennen we onder andere in Het rassenvraagstuk: herderlijk schrijven van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk uit 1962. Ook de vierde assemblee van de Wereldraad van kerken in Uppsala, 1968, omschrijft racisme in termen van vooroordelen, discriminatie en etnische trots. Toch ontstond er meer inzicht in de medeplichtigheid van de kerken zelf, alsook in de hardnekkigheid waarmee economische en culturele machtsverschillen racisme in stand houden. Daarom wilde de Wereldraad in 1968 niet volstaan met verklaringen, maar overgaan tot actie. Zo ontstond het Programma ter bestrijding van racisme met zijn veelbesproken Speciale Fonds dat geld schonk voor humanitaire hulp aan bevrijdingsbewegingen (ook wanneer deze bewegingen geweld niet uit de weg gingen).
De oproep van de Wereldraad van kerken in 1972 om de economische banden met het apartheidsregiem in Zuid-Afrika te verbreken, leidde tot heftige discussies binnen en buiten de kerken. Ook in Nederland waar de werkgroep Betaald antwoord gesprekken aanging met topmanagers in het bedrijfsleven. In 1977 maakte de Lutherse Wereldbond de afwijzing van apartheid tot status confessionis; in 1982 verwierp de WARC apartheid als ketterij. In Zuid-Afrika zelf zagen twee belangrijke kerkelijke verzetsdocumenten het licht: de Belhar belijdenis (1982-1986) en het Kairos document (1985).
Het einde van het apartheidssysteem betekende echter dat de aandacht voor racisme wereldwijd verminderde. Toch steekt het monster steeds weer de kop op, ook in West-Europese landen waar de segregatie van ‘allochtonen’ een toenemend gevaar vormt. Ook rassentheorieën zijn geen taboe meer. Zo publiceerde de Canadese evolutiepsycholoog Philippe Rushton zijn boek Ras, evolutie en gedrag (1994), waarin oude vooroordelen opnieuw ‘wetenschappelijk’ worden gelegitimeerd.
Auteur
Theo Witvliet [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Leon Poliakov, De arische mythe (Amsterdam 1979)
Theo Witvliet, Het Kairos-document en de moderne theologie (Baarn 1988)
Theo Salemink, De Afrikaanse mythe (Kampen 1997)
Stefan de Boer, Van Sharpeville tot Soweto. Het Nederlandse beleid t.a.v. apartheid 1960-1977 (Den Haag 1999)