Gereformeerd theoloog en politicus (Maassluis 29.10.1837 - Den Haag 8.11.1920)
Kuyper studeerde theologie in Leiden; hij promoveerde er in 1862. Hij was hervormd predikant te Beesd (1863), Utrecht (1867) en Amsterdam (1870- 1874) en van 1886 tot 1901 gereformeerd predikant van de Gereformeerde Kerk Amsterdam.
Kuyper was hoofdredacteur van het weekblad De Heraut (1871- 1920); stichter en hoofdredacteur van het dagblad De Standaard (1872-1919); lid van de Tweede Kamer (1874-1877, 1894-1901 en 1908-1912); stichter en leider van de Anti-Revolutionaire Partij (1879-1918); stichter, tevens hoogleraar theologie van de Vrije Universiteit (1879/1880-1901/1908); voorzitter van de Nederlandsche Journalistenkring (1898-1901); minister-president, tevens minister van Binnenlandse Zaken (1901-1905) en ten slotte lid van de Eerste Kamer (1913-1920).
De grondslag van Kuypers loopbaan werd gelegd door zijn studie over het kerkbegrip van J. Calvijn en J. a Lasco (1859/60). Daardoor kreeg hij zicht op de uitdagingen waarvoor de West-Europese kerken na het revolutiejaar 1848 stonden. In 1867 deed Kuyper van zich spreken als verdediger van de mogelijkheid om de gereformeerde orthodoxie vaste voet te geven in de plaatselijke gemeenten via het in de Nederlandse Hervormde Kerk ingevoerde kiesrecht. Nadien mengde Kuyper zich steeds meer in de kerkelijke strijd. Geïnspireerd door A Lasco en Calvijn streefde hij naar de opbouw van een kerk die present zou zijn in de moderne samenleving door gebruik te maken van op democratische wijze totstandgekomen structuren. Uitgangspunt daarbij was een sterke, autonome plaatselijke gemeente, met een intensief pastoraat. Als voorbeeld zag hij de tussen 1550-1553 door A Lasco geleide Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen.
Kuypers streven naar plaatselijke autonomie leidde tot spanningen met orthodox-hervormde voormannen die de eenheid van de vaderlandse kerk beklemtoonden. De onenigheden zetten zich voort bij de strijd voor protestants-christelijk, door particulier initiatief gedragen lager onderwijs. Een aantal orthodoxen was van oordeel dat men de bestaande nationale staatsscholen, waar vooral in orthodox-protestantse gebieden nog steeds christelijk onderwijs gegeven werd, niet zomaar mocht afschrijven. Door G. Groen van Prinsterer raakte Kuyper intussen steeds meer betrokken bij de met kerkelijke en onderwijskwesties verbonden politieke strijd. Na de dood van Groen in 1876 werd hij de leider van de antirevolutionaire richting. Hoewel hij nooit de steun van de door het protestantse Réveil geïnspireerde hogere standen heeft kunnen missen, zocht en vond Kuyper in toenemende mate aanhangers in de kring van hen die dankzij het kerkelijk kiesrecht voor het eerst invloed kregen: mannelijke kerkleden die financieel zelfstandig waren, geschoolde arbeiders en kleine zelfstandigen. Voor hen muntte hij de erenaam ‘kleine luyden’.
In 1878 kwam bij een volkspetitionnement voor een ‘School met de Bijbel’ de potentiële macht van deze groep en de daarmee verwante christelijke gereformeerden aan het licht. Kuyper achtte toen de tijd rijp voor verdere organisatie. Wat eerst een richting was, werd in 1879 omgesmeed tot de eerste moderne Nederlandse politieke partij. Om kader te kunnen vormen voor verdergaande strijd in kerk en samenleving werden datzelfde jaar voorbereidingen getroffen voor de eerste Nederlandse confessionele universiteit: de Vrije Universiteit. De spanningen binnen de Hervormde Kerk leidden in 1886 tot de Doleantie. Na de vereniging in 1892 van de dolerenden met de Christelijke Gereformeerde Kerk, ontstonden de Gereformeerde Kerken in Nederland. Kuyper probeerde zijn stempel op deze kerken te drukken, onder meer door de Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid (1894), waarin hij zijn wetenschappelijke idealen uiteenzette (zie neocalvinisme).
Zijn inzet voor uitbreiding van het kiesrecht leidde in 1894 tot een scheuring in de Anti-Revolutionaire Partij. Tussen 1895 en 1901 beschreef hij in De Heraut onder de titel ‘De gemeene gratie’ zijn visie op de maatschappij en vooral op de verhouding tussen kerk en staat. Toen de confessionele coalitie van protestanten en rooms-katholieken die conform dit program gevormd werd, in 1901 won, werd Kuyper regeringsleider. Daarmee bereikte hij het hoogtepunt van zijn loopbaan. Na een verkiezingsnederlaag in 1905 en een besluit van de gereformeerde synode van Utrecht dat grenzen stelde aan bepaalde consequenties van zijn theologie, begon zijn invloed te tanen.
Auteur
J. Vree [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Puchinger, ‘Abraham Kuijper’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland II (Amsterdam 1985), 328-333
J. de Bruijn, Abraham Kuyper: leven en werk in beeld (Amsterdam 1987)
C.H.W. van den Berg, ‘Abraham Kuyper’, in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme IV (Kampen 1998), 276-283
C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper: vast en veranderlijk. De ontwikkeling van zijn denken (Zoetermeer 1998)
Zie ook
Abraham Kuyper (2008)