Nederland kent een stelsel van scheiding van kerk en staat. Dit is impliciet besloten in ons (grond)wettelijk stelsel en de rechtspraak.
Het beginsel houdt in dat de overheid geen zeggenschap heeft ten aanzien van de kerkelijke organisatie, en dat de kerk geen formele invloed heeft op het overheidsbeleid. De scheiding van kerk en staat in Nederland is niet volledig. Dat kan ook nauwelijks. De poging om dit te bewerkstelligen zou getuigen van een negatieve houding ten opzichte van kerk en godsdienst en druist al snel in tegen twee andere beginselen die ook de verhouding tussen kerk en staat beheersen, namelijk het beginsel van godsdienstvrijheid en van godsdienstige en levensbeschouwelijke neutraliteit van de overheid.
De scheiding van kerk en staat werd voor het eerst geproclameerd in 1796 in de nasleep van de Bataafse Revolutie (Bataafse Republiek). Daarmee kwam het stelsel van een bevoorrechte (Hervormde) kerk van de Republiek der Verenigde Nederlanden ten einde. Het heeft tot ver in de negentiende eeuw geduurd voordat de banden met de Hervormde Kerk losser werden en een soepele omgang met andere protestantse kerken en met de Rooms-Katholieke Kerk bereikt werd. Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853 (Nederlandse bisschoppen), bracht politieke en maatschappelijke beroering teweeg. De betrokkenheid van de overheid met godsdienst in de negentiende eeuw kwam onder meer tot uitdrukking in het bestaan van de ministeries voor de erediensten. In de realiteit van vandaag hebben vele ministeries (op bescheiden wijze) met godsdienst te maken.
Juridisch zijn in de verhouding tussen kerk en staat vooral de organisatievrijheid van de kerk en de onderlinge financiële verhouding van belang. Kerken zijn organisaties met een eigen karakter, onderscheiden van bijvoorbeeld verenigingen of stichtingen. Artikel 2:2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat kerkgenootschappen worden ‘geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet’. Met het oog daarop is bijvoorbeeld de Algemene Wet Gelijke Behandeling niet op kerkgenootschappen van toepassing.
Algemene overheidsbijdragen aan kerken worden niet in overeenstemming geacht met de scheiding van kerk en staat. In 1983 werden historisch bestaande financiële verplichtingen van de staat afgekocht. Er zijn wel beperkte bijdragen op deelterreinen. Zo is er om de uitoefening van de godsdienst mogelijk te maken in bijzondere omstandigheden, geestelijke zorg in penitentiaire instellingen en in de krijgsmacht. Ook voor kerkelijke monumenten zijn er monumentensubsidies. Voor giften aan kerken bestaan aftrekregelingen in de belastingwetgeving, net als voor giften aan organisaties voor ‘goede doelen’.
Het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (ICO) onderhoudt namens de aangesloten christelijke kerken en joodse genootschappen contact met de overheid over zaken die van belang zijn voor de (juridische positie van de) kerken. Afzonderlijke kerken en genootschappen onderhouden desgewenst ook contact met de overheid. Naast stelsels van scheiding van kerk en staat (Frankrijk, Ierland, Nederland) zijn er in Europa staatskerken (Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland) en stelsels van samenwerking tussen kerk en staat (Duitsland, Spanje, Italië). Voor het functioneren van een stelsel maken bijkomende factoren veel uit. Gedacht moet worden aan de al of niet welwillende houding van de overheid, het al dan niet aanwezig zijn van een sterke meerderheidskerk, de mate van religieus pluralisme en de mate van secularisatie.
De verhouding tussen de Europese Unie (EU) en kerken wordt belangrijk. Het Handvest van de Grondrechten van de EU (2001) garandeert godsdienstvrijheid. In de slotakte bij het Verdrag van Amsterdam (1998) is bepaald dat de EU de nationale kerk-en-staatverhoudingen respecteert. Beide bepalingen komen terug in het Constitutioneel Verdrag dat in juni 2004 is gesloten (de Europese Grondwet). Daaraan is toegevoegd is dat de Unie een open, transparante en regelmatige dialoog met kerken voert.
Auteur
Sophie van Bijsterveld [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
B.G. Tahzib, Freedom of Religion or Belief. Ensuring Effective International Legal Protection (Den Haag 1996)
S.C. van Bijsterveld, Godsdienstvrijheid in Europees perspectief (Deventer 1998)
B.P. Vermeulen, ‘Artikel 6’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar (Deventer 2000), 93-109
Sophie van Bijsterveld, ‘De controversiële godsdienst-en meningsuiting’, in: Ars Aequi 52 (2003) 7/8, 533-540
B.C. Labuschagne (red.), Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat? (Nijmegen 2004)
Gerhard Robbers, State and Church in the European Union (Baden-Baden 2005 2de druk)