Politieke partij van 1945 tot 1980.
De oprichting op 22 december 1945 was het resultaat van een compromis tussen diverse meningen binnen katholiek Nederland. Tegenover de opvatting dat de voortgeschreden emancipatie een eigen organisatie niet meer nodig maakte en dat de Tweede Wereldoorlog de politieke overtuigingen in het land dichter bijeen had gebracht, overheerste de behoefte (van de kerkelijke overheid) aan een erfgenaam van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP). De nieuwe partij, voornamelijk bewerkstelligd door de toekomstige partijleider Romme en de partij-ideoloog Stokman, diende een echte volkspartij te zijn, die op ‘christelijk-sociale’ manier het belang van het volk in al zijn geledingen wilde dienen. Gestreefd werd naar een vooruitstrevende politiek, in het bijzonder op sociaal-economisch terrein. Met een beroep op de ‘innerlijke redelijkheid’ daarvan, stelde zij zich expliciet ook open voor niet-katholieken.
De praktijk werd anders. Mede als gevolg van de anticommunistische koudeoorlogsmentaliteit en onder druk van het episcopaat was de partij tot in de jaren zestig meer dan tevoren de politieke eenheidsorganisatie van de Nederlandse katholieken. Het vernieuwende aspect bewerkte dat het aantal katholieken van de doorbraak die kozen voor de Partij van de Arbeid (PvdA), beperkt bleef. Het voornamelijk tegen hen gerichte bisschoppelijk mandement van 1954 versterkte vooralsnog het eenheidskarakter van de Katholieke Volkspartij (KVP). Het in 1952 vernieuwde beginselprogram, dat formeel nooit meer is vervangen, is een schoolvoorbeeld van solidaristisch, corporatistisch en subsidiaristisch denken (zie ook subsidiariteit). Het was een op de naoorlogse Nederlandse omstandigheden afgestemde toepassing van de encycliek Quadragesimo Anno (1931) en een bijzonder specimen van het Europese christen-democratisch gedachtegoed. De KVP heeft zich dan ook gekenmerkt door een traditionele koers van laveren tussen overheidsingrijpen en vrije ontplooiing, en tussen het bevorderen van maatschappelijke solidariteit en persoonlijke verantwoordelijkheid. Het was de ideologische kant van de feitelijke middenpositie tussen de PvdA en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Een pragmatische politiek van verzoening stond in voortdurende interactie met een ideologisch gefundeerde grondhouding van harmonie en integratie.
De partij heeft zich gedurende heel haar bestaan ingezet voor het brede maatschappelijk middenveld met zijn diverse organisaties tussen haar kiezers en de staat. Door haar veelzijdig intern georganiseerd ‘beraad’ en het sluiten van compromissen met dan weer links, dan weer rechts, bestond bij politieke tegenstanders veelal de indruk van een opportunistische, pragmatische en voor coalitievorming onberekenbare, ja zelfs onbetrouwbare partij. De ‘Nacht van Schmelzer’ geldt als het meest markante voorbeeld. Ondanks toenemende interne kritiek en de omstandigheid dat het episcopaat zich sinds het midden van de jaren vijftig onthield van openlijke steun, behaalde de KVP in 1963 de meeste Tweede-Kamerzetels (50 van de 150) in haar geschiedenis, die nadien een snelle teruggang te zien zou geven. Met 1.995.352 stemmen (31,9 % van het totaal) telde zij in 1963, na een kleine onderbreking in 1952 en 1956, van alle partijen het hoogste aantal.
1963 betekende ook om andere redenen min of meer een cesuur in de ontwikkeling van de KVP. Zij bevond zich in een kort tevoren ingezet proces van structurele vernieuwing (grotere democratie) en ideologische heroriëntatie, het mogelijk samengaan met de protestantschristelijke Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU). Bovendien zou tot 1971 fractieleider Schmelzer als partijleider gaan fungeren. Houvast in het ideologische debat bood het door een commissie in 1966 aangeboden rapport Grondslag en karakter van de KVP. Het zou de metapolitieke basis worden waarop de partij heeft gestaan tot haar uiteindelijke integratie in het Christen Democratisch Appèl (CDA). De nationale context van de jaren zestig, bepaald door versnelde secularisering, deconfessionalisering, ontkerkelijking en ontzuiling werd erin verdisconteerd. Het christelijke erfgoed zou minder in strijd, maar meer in samenspel met niet-gelovigen moeten worden veiliggesteld. De katholieke normen en richtlijnen voor de politiek-maatschappelijke ordening waren geen onveranderlijke beginselen, maar dienden telkens vanuit de zich snel wijzigende werkelijkheid te worden doordacht.
Mijlpaal in de nog resterende KVP-geschiedenis waren de resoluties, aanvaard door de partijraad van december 1967, die onder leiding stond van partijvoorzitter P. Aalberse jr. Onder invloed van baanbrekend radicalisme moest de toekomstige programmering ‘consequent vooruitstrevend’ zijn en bovendien totstandkomen in samenspraak met ARP en CHU. Voor een klein aantal KVP-radicalen was de feitelijke ontwikkeling onbevredigend, zodat zij de partij inruilden voor de nieuwe, aanvankelijk christelijk geïnspireerde Politieke Partij Radicalen (PPR). Het overleg met de beide andere christen-democratische partijen resulteerde uiteindelijk in een opgaan in het CDA. Dit proces, moeizaam vanwege ideologische accentverschillen, kreeg positieve impulsen vanuit de harde politieke werkelijkheid.
Vanaf 1967 ging het bij de verkiezingen bergafwaarts. De laatste keer dat de KVP zelfstandig deelnam, behaalde zij slechts 17,7 % van de stemmen en moest zij met 27 kamerzetels genoegen nemen. In de daaropvolgende jaren vervulde de partij haar dubbele opdracht: constructief bijdragen aan de verschillende stadia van het CDA in oprichting en het zo goed mogelijk veiligstellen van het eigen erfgoed. Daartoe behoorde onder meer de aandacht voor de missie en het bijzonder onderwijs, het aangepast behoeden van de publieke moraal, evenals het vinden van een balans tussen welzijnspolitiek en financieel realisme. Tot aan haar opheffing is de partij een belangrijk stempel blijven drukken op het politiek-culturele klimaat van de nationale samenleving. Op 11 oktober 1980 hief de KVP zich op en integreerde zij structureel en ideologisch in het CDA.
Auteur
J.A. Bornewasser [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij 1945-1980, 2 banden (Nijmegen 1995, 2000)