Samenvattende naam voor het streven van de Nederlandse katholieken naar gelijkberechtiging op politiek, sociaal en cultureel gebied.
Het proces begon in 1795 met de val van de Republiek der Verenigde Nederlanden, die de katholieken veel rechten onthield. Een pionier in de eerste helft van de negentiende eeuw was de bekeerling Joachim George le Sage ten Broek met het tijdschrift De Godsdienstvriend (1818-1869). De doorbraak kwam met de grondwet van 1848, die enerzijds scheiding van kerk en staat bepaalde, maar het recht van placet verwierp en de vrijheden van vereniging en onderwijs vastlegde (zie onderwijsvrijheid). Hierdoor was het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 mogelijk, en van dat ogenblik af kwam de emancipatie in een stroomversnelling.
In de politiek was het vooral Herman Schaepman, die de katholieken in de Tweede Kamer tot eensgezindheid bracht. Vooral na het algemeen kiesrecht van 1917 kwam er een machtig politiek blok tot stand en in 1918 werd voor het eerst een katholieke premier geleverd: Ruijs de Beerenbrouck.
De vrijheid van onderwijs kwam tot stand na een schoolstrijd, die aanving met het onderwijsmandement van 1868, tot de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs in 1917. De uitbouw van een volledig eigenstandig katholiek onderwijssysteem werd bekroond met de stichting van de Katholieke Universiteit van Nijmegen (1923, Radboud Universiteit) en de Hogeschool te Tilburg (1927, Universiteit van Tilburg).
De neogotische kerken van P. Cuypers en andere architecten werden al vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw een duidelijk zichtbaar teken van het feit, dat de Nederlandse katholieken er waren en zich zelfbewust presenteerden. In cultureel opzicht was het de Warmondse hoogleraar Cornelis Broere, die vanaf 1842 al met het tijdschrift De Katholiek aan de weg timmerde met het motto Vindicamus hereditatem patrum nostorum (wij eisen het erfdeel der vaderen).
Belangrijk was ook het werk van de literator Joseph Alberdingk Thijm, de stichting van het dagblad De Tijd door de priester Judocus Smits en het historische werk van W.J.F. Nuijens: Geschiedenis der Nederlandse beroerten (4 delen, 1865-1870).
Na het totstandkomen van grote boeren- en arbeidersorganisaties in de eerste decennia van de twintigste eeuw stond de katholieke zuil machtig en sterk in de Nederlandse samenleving. Het gebouw hield stand tot de jaren zestig. Zoals de titel van De wankele zuil (1971) van J. Thurlings aangeeft, bleek inderdaad dat door de snelle veranderingen in de Nederlandse samenleving én binnen de Rooms-Katholieke Kerk zelf (na het Tweede Vaticaans Concilie) de zuil wankel was.
Veel verworvenheden verdwenen in de tweede helft van de twintigste eeuw, met de omroep en het onderwijs als belangrijkste uitzondering.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]