Hebreeuws: God strijdt. Naam door God gegeven aan Jakob (Gen. 32:28). Van clannaam groeit het vervolgens uit tot de benaming voor een volk (am Jisra’eel), een land (Eretz Jisra’eel) en een staat (medienat Jisra’eel). Deze drie categorieën overlappen elkaar wel, maar gaan niet in elkaar op. Zo heeft het joodse volk lange tijd en grotendeels buiten het land Israël geleefd.
De staat Israël is een Midden-Oosters land van 20.770 km2, grenzend aan Egypte, Jordanië, Syrië, Libanon en de Palestijnse gebieden, met als hoofdstad Jeruzalem. Er zijn op 1 januari 2005 6,3 miljoen mensen woonachtig, waarvan 80,1% joods is, 14,6% moslim, 2,1% christen en 3,2% een andere religieuze achtergrond heeft. De officiële taal is het Hebreeuws, terwijl de Arabische minderheid (19,9%) het Arabisch gebruikt. Het land is een parlementaire democratie, met een president als staatshoofd.
De eeuwen door zijn joden in het land blijven wonen, sinds de verwoesting van de tempel in 70 en het neerslaan van de joodse opstand tegen Rome in 135. Deze gemeenschap werd de jisjoev genoemd. Financiële steun voor de jisjoev kwam zowel van de Sefardische als de Asjkenazische joden. Sefardiem worden de joden genoemd die in de Arabische wereld en op het Iberisch schiereiland vestigden, terwijl met Asjkenaziem de joden uit de Duitse en Oost-Europese landen worden aangeduid. In uitspraak van het Hebreeuws, liturgie en gebruiken verschillen beide groepen van elkaar. De oriëntatie op het land en op Jeruzalem was opgenomen in de rituelen en liturgie van beide groepen en in perioden van hevig messianisme kreeg dit grote vormen.
In de negentiende eeuw ontstond binnen het Asjkenazische jodendom, onder invloed van de golf van nationalisme die door Europa waarde, het zionisme. Deze beweging beoogde het statenloze joodse volk een eigen staat te geven. Als locatie daarvoor werd het land Israël gekozen, ondermeer geïnspireerd door de eeuwenoude gebeden waarin terugkeer naar het land was opgenomen. Groepen zionistische joden emigreerden vanuit het Russische rijk naar het land, waar zij kibboetsiem en steden vestigden en door grote inzet het land geschikt maakten voor landbouw en economisch aantrekkelijk maakten. Het land maakte onderdeel uit van het Ottomaanse rijk en kende naast joodse bewoners ook Arabische, christelijke en islamitische gemeenschappen.
Een belangrijk succes boekte de zionistische beweging in 1917, toen de Britse minister Lord Balfour in een officiële brief aan de zionistische leider Chaim Weizmann toezegde dat de Britse regering zich in zou spannen voor een joods nationaal tehuis in Palestina. De invulling van deze belofte werd spoedig dichterbij gebracht, toen in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog het Ottomaanse rijk verdween en de Europese landen grote delen daarvan als protectoraat of mandaatgebied verwierven. Groot-Brittannië kreeg van de Volkenbond Palestina toegewezen. In de periode die daarop volgde nam de joodse immigratie toe. Tevens ontstonden spanningen met de Arabische bevolking, resulterend in de Arabische rebellie van 1936-1939.
De Tweede Wereldoorlog bracht belangrijke verschuivingen teweeg. De holocaust, de moord op zes miljoen joden door het Duitse nazi-regime, bracht de urgentie van een joods thuisland versterkt onder de aandacht van de politieke grootmachten. Dit leidde tot het Verdelingsplan van 1947, waarin de Verenigde Naties voorstelden dat Palestina verdeeld zou worden tussen joden en Arabieren. De zionistische beweging aanvaardde dit plan, terwijl de Arabische leiders zich ertegen verzetten. Met het vertrek van de Britse mandatarissen werd de onafhankelijke staat Israël uitgeroepen, op 14 mei 1948. Onmiddellijk brak de Onafhankelijkheidsoorlog uit met de omringende Arabische landen. Tijdens deze oorlog werden tal van Arabieren gedwongen hun woningen, dorpen en steden te verlaten; deels onder Israëlische druk, deels aangemoedigd door de Arabische leiders. Toen Israël de oorlog in haar voordeel wist te beslissen, konden de Arabieren niet terug naar hun woningen. De stad Jeruzalem raakte verdeeld, het westelijke deel kwam onder Israëlische heerschappij, het oostelijke deel werd door Jordanië bestuurd.
In de jaren vijftig consolideerde de jonge staat, die veel nieuwe immigranten verwelkomde. Een politiek systeem werd opgebouwd, waarbij de socialistische arbeiderspartij onder leiding van David Ben-Goerion een prominente positie bekleedde. Samen met Frankrijk en Groot-Brittannië werd in 1956 de Suez-campagne gestart, een snelle aanval op Egypte vanwege de nationalisering van het Suez-kanaal. Onder internationale druk moesten de bondgenoten zich terugtrekken. In 1967 brak de Zesdaagse Oorlog uit met de Arabische buurlanden, met als resultaat dat Israël de Sinaï-woestijn, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogvlakte wist te veroveren.
Ook na de onverwachte Jom Kippoeroorlog van 1973 bleven deze gebieden onder Israëlische heerschappij. Het herenigde Jeruzalem werd uitgeroepen tot eeuwige en ondeelbare hoofdstad van Israël, waarbij het oostelijke deel van de stad werd geannexeerd. In de nasleep van de oorlog van 1967 ontstond het Palestijnse nationalisme, dat ijverde voor een onafhankelijke Palestijnse staat. De PLO (Palestinian Liberation Organization) onder leiding van Yasser Arafat vormde de koepel waarbinnen diverse groeperingen streden tegen de Israëlische bezetting.
In 1977 was voor het eerst de centrumrechtse Likoedpartij aan de macht gekomen, geleid door Menachem Begin. Hij wist in 1979 vrede te sluiten met de Egyptische president Anwar Sadat, waarop de Sinai werd overgedragen aan Egypte. In de bezette gebieden, met name op de Westelijke Jordaanoever, werden joodse nederzettingen gebouwd. Internationaal stuitte dit op veel weerstand. Onophoudelijke aanvallen vanuit Libanon deed Israël in 1982 oprukken tegen dit land, met als resultaat de bezetting van het zuidelijke deel.
Het Palestijnse verzet uitte zich in 1987 in het begin van de intifada, de volksopstand tegen de Israëli’s. Vanaf 1988 speelde een nieuwe islamitische militante groep daarbij een belangrijke rol, Hamas. Het Israëlische leger bleek slecht opgewassen tegen de onrust in de bezette gebieden. De desintegratie van de Sovjet-Unie zorgde vanaf eind jaren tachtig in een toenemende stroom immigranten, terwijl ook de Ethiopische Falasja’s naar Israël kwamen.
Gedurende de Eerste Golfoorlog (1991) werden Israëlische steden doelwit van Iraakse scud-raketten. Toch raakte Israël niet op een directe manier betrokken bij de gevechtshandelingen. In de nasleep van deze oorlog werd op Amerikaanse instigatie een vredesconferentie georganiseerd in Madrid, waarbij Israël en haar Arabische buren elkaar troffen. Dit vormde het begin van het vredesproces. In 1992 wist de Arbeiderspartij van Jitschak Rabin de Likoed te verslaan. Dit resulteerde in nieuwe vredesinitiatieven. Naast de vastgelopen officiële besprekingen, troffen Israëlische en Palestijnse onderhandelaars elkaar in Oslo. Dit resulteerde in de Oslo-akkoorden (1993), waarbij Israël en de PLO elkaar erkenden. De Gazastrook en delen van de Westelijke Jordaanoever werden overgedragen aan de opgerichte Palestijnse Autoriteit. Ook werd in 1993 vrede gesloten met Jordanië. De verdeeldheid in de Israëlische samenleving kwam openbaar toen Jitschak Rabin door een rechts-extremist werd doodgeschoten in 1995.
Ondertussen bleek ook dat de veranderingen in de Palestijnse gebieden niet leidden tot een beëindiging van de terreur tegen Israëlische burgers. De opeenvolgende Israëlische regeringsleiders wisten geen duurzaam vredesakkoord te sluiten met de Palestijnen en met de buurlanden Syrië en Libanon. In 2000 trok Israël zich terug uit Zuid-Libanon, maar de vredesbesprekingen op Camp David tussen Ehud Barak en Yasser Arafat leverden niets op. Het bezoek van Ariel Sharon aan de Tempelberg vormde vervolgens de aanleiding voor de Al-Aqsa intifada. Het overlijden van Yasser Arafat in 2004 betekende een nieuwe fase in het vredesproces, omdat zijn opvolger Machmoed Abbas een gematigdere lijn uitzet en door Israël als gesprekspartner wordt geaccepteerd.
Kerk en Israël. Erkenning van de staat Israël door de Rooms-Katholieke Kerk vond pas plaats in 1993, gevolgd door uitwisseling van ambassadeurs in 1994. De Wereldraad van Kerken, waarin veel protestantse en orthodoxe kerken samenwerken, heeft het voornamelijk als haar taak gezien om de belangen van de Arabische partij te bekrachtigen. Op het grondvlak van de kerken leeft zowel christenzionisme als solidariteit met de Palestijnse zaak.
Auteur
Bart Wallet [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Ahron Bregman, A history of Israel (Houndmills/ New York 2002)