Sociale rechten verplichten de overheid tot handelen.
Naar huidige inzichten kunnen echter ook klassieke rechten onder omstandigheden de overheid tot handelen verplichten, met name om te zorgen dat een reële uitoefening van een recht mogelijk is. Godsdienstvrijheid is in het nationale en internationale recht een onbetwiste verworvenheid. Het vaststellen van de precieze reikwijdte en grenzen ervan blijft een dynamisch proces.
De Nederlandse Grondwet garandeert vrijheid van godsdienst in artikel 6. De formulering dateert van 1983. Het sinds 1814 bestaande, maar meermaals gewijzigde hoofdstuk over godsdienst werd toen vervangen door één artikel. In dat jaar werd ook voor het eerst vrijheid van levensovertuiging opgenomen. Artikel 6, eerste lid, bepaalt: ‘Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’ Vaststaat dat dit artikel niet alleen het huldigen van een overtuiging beschermt, maar ook het daarnaar handelen. Ook groepen en organisaties kunnen een beroep doen op godsdienstvrijheid.
Godsdienstvrijheid wordt begrensd door de wet (die door regering en Staten-Generaal gezamenlijk wordt vastgesteld). Regering, ministers, provincies, gemeenten zijn op grond van dit artikellid niet bevoegd tot het stellen van beperkingen. Algemeen aanvaard is dat de interne (gedachte- of gewetensvrijheid) niet beperkt mag worden.
Het tweede artikellid bevat een nadere bepaling over de ‘uitoefening van de vrijheid buiten gebouwen en besloten plaatsen’. Deze formulering verwijst terug naar een onderscheid dat werd gemaakt in de Grondwet van 1848. In dat jaar werden veel vrijheidsrechten in de Grondwet opgenomen, maar ook een bepaling die als processieverbod bekend is geworden en tot 1983 heeft gegolden. Er is in de jaren zestig wel eens voor de rechter aangevoerd dat die bepaling in strijd was met internationale verdragen, maar dat was vergeefs. Het tweede artikellid geeft aan dat de wetgever in formele zin ook andere overheidsinstanties bevoegd mag maken tot het treffen van beperkingen, maar alleen ‘ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’. Hiertoe (onder meer) is de Wet openbare manifestaties vastgesteld.
Ook andere bepalingen in de Grondwet zijn voor godsdienst relevant, zoals de garantie van gelijkheid en non-discriminatie, van onderwijsvrijheid, vrijheid van meningsuiting, vereniging, vergadering, en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Vrijheid van godsdienst wordt wel het oudste grondrecht genoemd van Nederland. Artikel XIII van de Unie van Utrecht van 1579 garandeerde al de vrijheid van godsdienstig geweten. Dit hield niet het recht in om een godsdienstige overtuiging openlijk te belijden. In die tijd was de bepaling niettemin revolutionair.
Ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden was de Hervormde Kerk de bevoorrechte kerk. Andere godsdiensten werden (in de loop van de tijd steeds meer) getolereerd. De Bataafse Revolutie (Bataafse Republiek) van 1795 maakte een einde aan de Republiek én aan het toen al in Nederland achterhaalde stelsel van een bevoorrechte kerk. In 1796 werd de scheiding van kerk en staat afgekondigd. Daarna volgde staatkundig een woelige tijd. Hoewel vrijheid van godsdienst gemeengoed was geworden, was het nog niet vanzelfsprekend dat men géén godsdienst aanhing, zoals bleek uit de Staatsregeling des Bataafschen Volks van 1801.
Belangrijke thema’s in de negentiende eeuw waren het vinden van een balans in de verhouding van de overheid ten opzichte van de Hervormde Kerk enerzijds en de andere kerken anderzijds, inclusief de regeling van de financiële verhoudingen en het ontwikkelen van het (openbaar en bijzonder) onderwijsstelsel. De negentiende eeuw was ook de eeuw van de ontwikkeling van (christelijke) partijvorming en van de eerste golven van secularisering. In de twintigste eeuw, met name na de Tweede Wereldoorlog, zijn ontzuiling en het groeiend religieus pluralisme (met name vanwege de immigratiegolven in de laatste decennia van die eeuw) belangrijke ontwikkelingen. Al deze ontwikkelingen hebben de fundamenten van de godsdienstvrijheid niet veranderd, maar zij kleuren wel steeds de context waarbinnen discussies plaatsvinden.
Wetgeving en overheidsbeleid hebben op vele terreinen raakvlakken met godsdienst. Steeds zal op die terreinen rekening gehouden moeten worden met godsdienst. Het gaat hierbij om uiteenlopende terreinen als arbeidstijdenwetgeving (zon- en feestdagen), arbeidswetgeving (gelijke behandeling, antidiscriminatie), belastingwetgeving (giftenaftrek), openbare manifestaties, onderwijswetgeving, mediawetgeving, rechtspersonenrecht (identiteit van instellingen en de juridische positie van kerkgenootschappen), monumentenwetgeving (kerkelijke monumenten), strafwetgeving (uitingsvrijheid), geestelijke zorg in inrichtingen van gezondheidszorg, penitentiaire instellingen en de krijgsmacht. Naarmate wetgeving en beleid meer door de EU worden beïnvloed of bepaald, wordt ook de EU in dit opzicht steeds belangrijker.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is godsdienst prominent aanwezig in discussies in het publieke domein. Vooral de grenzen van de uitingsvrijheid en godsdienst in het arbeidsrechtelijke verhoudingen zijn daarbij aan de orde. Deze discussies zijn veelal (maar niet exclusief ) gerelateerd aan de islam. Op een complexe wijze staan zij in verband met vragen rond integratie en algemene discussies rond ‘waarden en normen’ in de Nederlandse samenleving.
De Nederlandse rechter mag op grond van artikel 120 Grondwet niet een wet in formele zin (maar wel andere nationale wetgeving) toetsen aan de Grondwet. De rechter toetst op grond van de artikelen 93 en 94 Grondwet wel een wet in formele zin aan ‘een ieder verbindende verdragsbepalingen’. Daaronder vallen ook bepalingen van godsdienstvrijheid in mensenrechtenverdragen, waarvan de belangrijkste zijn het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), gesloten in het kader van de Raad van Europa en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP), gesloten in het kader van de VN. Er bestaan in deze en andere internationale verdragen bepalingen die van belang zijn voor godsdienst, zoals (bepalingen van) verdragen die handelen over gelijke behandeling en non-discriminatie en onderwijsvrijheid. De betreffende verdragen kennen alle hun eigen toezichtmechanismen. Toezicht door een onafhankelijke rechter zoals het Europees hof voor de bescherming van de rechten van de mens voor het EVRM is uitzonderlijk.
Te noemen zijn voorts de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties (VN), evenals de VN-Verklaring van 1981 ter uitbanning van alle vormen van godsdienstige onverdraagzaamheid (geen verdragen). De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) maakt in talloze documenten ook melding van godsdienstvrijheid. Ook het Handvest van de Grondrechten van de EU (2001) garandeert godsdienstvrijheid. Dit Handvest is integraal opgenomen in het Constitutioneel Verdrag, gesloten in 2004.
Auteur
Sophie van Bijsterveld [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
B.G. Tahzib, Freedom of Religion or Belief. Ensuring Effective International Legal Protection (Den Haag 1996)
S.C. van Bijsterveld, Godsdienstvrijheid in Europees perspectief (Deventer 1998)
B.P. Vermeulen, ‘Artikel 6’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar (Deventer 2000), p.93-109
Sophie van Bijsterveld, ‘De controversiële godsdienst-en meningsuiting’, in: Ars Aequi 52 (2003) 7/8, p.533 – 540
B.C. Labuschagne (red.), Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat? (Nijmegen 2004)
Gerhard Robbers, State and Church in the European Union (Baden-Baden 2005)