Dichter, historicus en politicus (Rotterdam 9.2.1884 - Utrecht 27.10.1958)
Frederik Gerretson typeerde zichzelf als ‘een kleinkind van het Réveil’. Hij volgde een militaire opleiding in Breda (1901-1902), bezocht alsnog het gymnasium en volgde colleges filosofie in Utrecht (1905-1906). Hij zwierf door Mexico en de Verenigde Staten. Teruggekeerd studeerde hij in Brussel sociologie (1909-1911). In deze periode publiceerde hij onder het pseudoniem Geerten Gossaert zijn dichtbundel Experimenten (1911).
Na zijn promotie (Heidelberg 1917), werd hij secretaris van H. Colijn, toen directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij. In oktober 1925 aanvaardde hij het hoogleraarschap in de koloniale geschiedenis te Utrecht; in 1939 werd hij buitengewoon hoogleraar in de constitutionele geschiedenis van het Koninkrijk. Als historicus wijdde hij zich vooral aan de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk (1815-1830), van Nederlands Oost-Indië, en van de gereformeerde gezindte. In zijn poëzie, in zijn historisch werk en in zijn politieke beschouwingen staat de spanning tussen vrijheid en gebondenheid centraal. Na de Tweede Wereldoorlog trok hij fel van leer tegen de Nederlandse Indië-politiek. Het verlies van Indië beschouwde Gerretson als een nederlaag. Zijn angst was dat Nederland zou verschrompelen tot een boerderij aan de Noordzee.
In 1950 werd Gerretson lid van de Eerste Kamer voor de Christelijk-Historische Unie (CHU), wat hij tot 1956 is gebleven.
Auteur
B.J. Spruyt [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.W. van Hulst, Gerretson dichterbij (Amsterdam 1985)