Eerste hoogleraar vaderlandse geschiedenis van Nederland, in 1860 te Leiden benoemd (Rotterdam 14.11.1823 - Leiden 29.1.1899)
In zijn oratie De onpartijdigheid van den geschiedschrijver bepleitte hij een nieuwe vorm van wetenschappelijke geschiedschrijving, gebaseerd op gedegen onderzoek van bronnen en met de intentie om op ‘liberale wijze’ recht te doen aan de verschillende politiek-religieuze gezichtspunten. Hij wilde daarmee uitstijgen boven de partijstrijd die het tijdvak van de Republiek zozeer gekenmerkt had en uitkomen bij een waarlijk nationale geschiedschrijving.
Zijn vele detailstudies werden na zijn dood gebundeld in zijn volumineuze tiendelige Verspreide geschriften (Den Haag 1900-1905). Als vader van de wetenschappelijke geschiedschrijving in Nederland zou Fruin het historisch denken van zijn theologische ballast en wijsgerige bespiegeling hebben bevrijd. De gematigde protestant Fruin geloofde zeker aan de hand van God in de geschiedenis, maar hij noemde het ‘een ijdel en verwaten ondernemen’ om ‘Gods wegen na te sporen’. Naar Fruins mening kwam daar nog bij dat als Gods hand slechts incidenteel wordt aangewezen, daarmee miskend wordt dat de voorzienigheid zich over alles uitstrekt. Fruin: ‘Ze hier en daar te erkennen, is ze doorgaans te loochenen.’
Auteur
Albert van der Zeijden [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jo Tollebeek, De toga van Fruin. Denken over geschiedenis in Nederland sinds 1860 (Amsterdam 1990) 13-67
P.B.M. Blaas, ‘De prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden: Fruins en Bloks nationale geschiedschrijving’, in: P.B.M. Blaas, Geschiedenis en nostalgie (Hilversum 2000) 15-41
Zie ook
Robert Jacobus Fruin (2009)