Politieke omwenteling die in 1789 in Parijs begon en die later ook voor andere West-Europese landen grote politieke gevolgen heeft gehad.
Hoewel Lodewijk XVI als absoluut vorst regeerde, had hij voor zijn nieuwe belastingplannen de medewerking van de standen nodig. Daartoe riep hij voor 5 mei 1789 de Staten Generaal bijeen (die sinds 1614 niet meer was samengekomen). De geestelijkheid en de adel hadden elk driehonderd, de burgerij of derde stand had zeshonderd leden in de Staten Generaal. Nadat de eis van de burgerij om niet per stand maar hoofdelijke te stemmen was verworpen, riep de derde stand op 17 juni 1789 zijn vergadering uit tot Nationale Vergadering. In de kaatsbaan te Versailles zwoeren zijn leden niet uiteen te zullen gaan, voordat zij een conceptgrondwet hadden aanvaard. Een deel van de geestelijkheid en enkelen van de adel sloten zich bij hen aan.
De Nationale Vergadering die zich had omgedoopt tot Grondwetgevende Vergadering, kreeg steun van de lagere klassen beneden de burgerij (later de vierde stand genoemd): boeren, arbeiders en marktkooplieden die leden onder hoge broodprijzen en werkloosheid. Op 14 juli 1789 werd de Bastille, een middeleeuws fort dat als gevangenis dienst deed, bestormd en afgebroken. De Grondwetgevende Vergadering schafte de privileges van de standen af en aanvaardde op 26 augustus 1789 de ‘Verklaring van de rechten van de mens en van de burger’, die de beginselen bevatte van een nieuwe staatkundige en maatschappelijke orde.
De samenleving werd echter niet democratisch georganiseerd. Ieder had gelijke burgerrechten, maar alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden hadden actief kiesrecht. Goederen van de Katholieke Kerk werden geconfisqueerd, de kerk werd een onderdeel van de staat en priesters werd verboden het gezag van de paus te erkennen. Paus Pius VI veroordeelde niet alleen de maatregelen tegen de kerk, maar de hele revolutie. Zij die de paus trouw bleven (onder wie Lodewijk XVI) werden contrarevolutionair genoemd en een gevaar voor de staat. Wilden de revolutionairen de strijd tegen hen winnen, dan moesten zij de revolutie radicaliseren.
De koning werd gedwongen in Parijs te resideren en leefde onder strenge bewaking als gevangene van het volk. Een vluchtpoging naar het buitenland in 1791 mislukte en maakte zijn positie des te meer omstreden. In dat jaar legde de koning de eed op de nieuwe grondwet af, de eerste geschreven grondwet in Europa, waarin scheiding werd gemaakt tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De Grondwetgevende Vergadering had haar taak volbracht en maakte in 1791 plaats voor de Wetgevende Vergadering. Europese vorsten, onder wie Leopold II van Oostenrijk en broer van de echtgenote van Lodewijk XVI, dreigden met een interventie, die ertoe leidde dat de Wetgevende Vergadering in 1792 aan Oostenrijk de oorlog verklaarde. Het leger kreeg steun van vrijwilligers uit het hele land; het Franse volkslied, de Marseillaise, werd door Rouget de Lisle gecomponeerd voor vrijwilligers uit Marseilles.
De koning werd in augustus 1792 geschorst, verdacht van samenspannen met de vijand. De in september 1792 nieuw gekozen Nationale Vergadering of Conventie voerde een nieuwe jaartelling in (die tot 1805 zou worden toegepast). De Nationale Conventie schafte de monarchie af, veroordeelde de koning in december 1792 wegens landverraad en bracht hem op 21 januari 1793 ter dood onder de guillotine. Door de benarde voedselsituatie bleef het land onrustig en braken opstanden uit. Een volksbeweging kwam op gang onder leiding van de sans culottes, arbeiders en ambachtslieden die niet zoals de welgestelden een kuitbroek (culotte) droegen, maar een lange werkmansbroek. Zij eisten van de Conventie harde maatregelen ter verbetering van de voedselsituatie. Ook eisten zij van de radicale jacobijnen en nog radicalere montagnards, dat gematigde girondijnen als verraders van de revolutie werden geëlimineerd. De radicale jacobijn Robespierre werd gekozen als lid van het Comité de Salut Public; een commissie van de Conventie, die echter als een regering met onbeperkte bevoegdheden optrad. Onder zijn leiding brak terreur uit. Robespierre rekende af met jacobijnen als Hébert, Danton en Desmoulins, en met hun volgelingen, tot andere tegenstanders hemzelf in 1794 tot de guillotine veroordeelden.
In 1795 aanvaardde de Conventie een nieuwe grondwet, die bepaalde dat de uitvoerende macht lag bij een uit vijf leden bestaand leiderschap (Directoire). Omdat het Directoire de onrust in het land niet de baas werd, werd het door een militaire staatsgreep onder leiding van Napoleon afgeschaft. Napoleon riep een nieuwe republiek uit, het Consulaat; drie consuls stonden aan het hoofd, van wie Napoleon de eerste was. Met Napoleon als verlicht despoot was de revolutie na tien jaar ten einde. Ontsproten aan ideeën van vrijheid en gelijkheid was de revolutionaire staatsleer van de Verlichting uitgelopen op terreur en geëindigd in een militaire machtsovername die de politieke en maatschappelijke orde herstelde en vrijheid vernietigde. Ondanks de terreur en het ontbreken van een algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht, werd de revolutie voor velen een bron van inspiratie tot kritiek op onderdrukkende machten.
Edmund Burke bekritiseerde in 1790 de Franse revolutie als antichristelijk en antihistorisch, omdat zij afrekende met God, de kerk en de wijsheid van voorouders die in maatschappelijke en politieke instellingen haar neerslag had gekregen. Men had in Frankrijk op grond van de bestaande instellingen naar geleidelijke verbeteringen kunnen streven. Hij bekritiseerde de barbaarse verlichtingsfilosofie die ten grondslag lag aan de abstract geformuleerde mensenrechten, die verstoken waren van de historische context van de natie waarin zij moeten worden gerealiseerd. Alexis de Tocqueville schreef de revolutie niet direct toe aan de verlichtingsfilosofie, maar een een wisselwerking tussen de materiële bestaansvoorwaarden van mensen die bepaalde patronen van denken, handelen en een gezindheid voortbrachten, waar ideeën van de Verlichting op konden inwerken.
Guillaume Groen van Prinsterer beschouwde, in de lijn van Burke, de Verlichting als oorzaak van de revolutie, door haar ideeën van volkssoevereiniteit, maatschappelijk verdrag en ni Dieu, ni maître die een omkering van denken en gezindheid met zich mee hadden gebracht. Groen van Prinsterer verdedigde dat de Reformatie gebondenheid aan evangelie verkondigde en het ni Dieu, ni maître verwierp. Tegenstanders van de revolutie behoorden de Reformatie niet te diskwalificeren als de oorzaak ervan en voorstanders van de revolutie konden de Reformatie niet annexeren in hun voordeel. Dit plaatste hem tegenover contrarevolutionaire of reactionaire denkers als Louis de Bonald en Joseph de Maistre, die terug wilden naar het Frankrijk van de zestiende eeuw, herstel van het koningschap en suprematie van de paus, en die juist de Reformatie aanwezen als de oorzaak van de revolutie.
Hoewel men in christelijke kringen in Europa lange tijd de idee van de volkssoevereiniteit verwierp, omdat zij in strijd met Gods soevereiniteit zou zijn, ontstond later het inzicht dat men de volkssoevereiniteit kon aanvaarden zonder de atheïstische verlichtingsfilosofie over te nemen.
Auteur
H.E.S. Woldring [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A. de Tocqueville, L’ancien régime et la révolution (Paris 1952)
J. Michelet, History of the French Revolution (Chicago 1967)
G. Groen van Prinsterer, Ongeloof en revolutie (Franeker 1976 3e druk)
F. Furet, Penser la Révolution française (Paris 1978)
R. Darnton, De literaire onderwereld tijdens het Ancien Régime (Amsterdam 1985)
E. Burke, Reflections on the Revolution in France (Hammondsworth 1987)
S.W. Couwenberg (red.), Opstand der burgers. De Franse revolutie na 200 jaar (Kampen 1988)
H.E.S. Woldring, De Franse revolutie. Een aktuele uitdaging (Kampen 1989)