Verzamelbegrip voor maatschappelijke, politieke en culturele bewegingen en beschouwingen die streven naar de opheffing van structureel ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen.
Sporen van verzet van vrouwen tegen ongelijke machtsverhoudingen zijn tot in de oudste geschriften van de westerse cultuur terug te vinden. Aan het einde van de achttiende eeuw, onder invloed van de Franse revolutie, verschijnen de eerste ons bekende pamfletten die oproepen tot actie. Mary Wollstonecrafts A Vindication of the Rights of Women uit 1792 wordt traditioneel gezien als het eerste feministische pleidooi. De term feminisme duikt echter pas op aan het einde van de negentiende eeuw, ten tijde van de zogenoemde ‘eerste feministische golf’ (eind negentiende, begin twintigste eeuw). Zowel in Amerika als in Europa gingen vrouwen de straat op om haar stemrecht op te eisen. Andere onderwerpen waren de arbeidspositie van vrouwen en prostitutie.
Tijdens de tweede feministische golf (vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw) vormden arbeidskwesties opnieuw inzet van strijd: gelijke behandeling en betaling, meer beroepsperspectieven voor vrouwen (binnen de kerken: vrouwen in het ambt) en economische zelfstandigheid. In samenhang met het opeisen van het recht op werk kwam ook de verdeling van zorgtaken en huishoudelijk werk op de agenda, en werden meer voorzieningen (kinderopvang) geëist. Feministes waren actief betrokken bij de ontwikkeling van het zogenaamde tweedekansonderwijs en stimuleerden meisjes in het onderwijs om hoger te mikken (actiegroep ‘Marie, word wijzer’). Op het juridische vlak begonnen feministes directe en indirecte discriminatie in rechtsregelingen aan te vallen en gingen zij proefprocessen aan om de grenzen van het recht af te tasten.
Genoemde strijdpunten vallen onder de noemer van het zogenaamde ‘gelijkheidsfeminisme’. Uitgangspunt van het gelijkheidsfeminisme was dat het verschil tussen vrouwen en mannen klein is, en grotendeels gecreëerd wordt door de samenleving: ‘je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt’ (Simone de Beauvoir). Naast en tegenover het gelijkheidsfeminisme stond het differentie (verschil)feminisme.
Differentiefeministen gingen er van uit dat vrouwen en mannen principieel verschillen, en dat recht gedaan moest worden aan het verschil dat vrouwen maken. Zij zetten zich in voor vormen van vrouwencultuur (vrouwenboekwinkels, cafés, gezondheidscentra, enzovoorts). Zij verwachtten minder van instituten en meer van door vrouwen geïnitieerde veranderingen in denken en doen. Het persoonlijke was politiek. Religies en culturen vormden het terrein van een ‘oorlog van de beelden’ (Adrienne Rich). Het ontwikkelen in een eigen horizon van verlangens, een verbeelding van het vrouwelijke goddelijke, werd gezien als een voorwaarde voor emancipatie. De vanzelfsprekende heteroseksualiteit werd ter discussie gesteld en zaken als seksueel geweld, incest en ongewenste intimiteiten werden aangevallen. In deze strijdpunten, en in het protest tegen een cultuur die vrouwen eetstoornissen bezorgt, abortus niet aan de vrouw laat en zwangerschappen medicaliseert, konden vrijwel alle feministen zich vinden.
Vanaf de jaren tachtig en doorbrekend in de jaren negentig van de twintigste eeuw duikt de term ‘derde feministische golf ’ op. Het gaat hier om een zeer diverse beweging, minder georganiseerd en met een sterke nadruk op individualiteit. Zelfbewuste, jonge feministen keren zich tegen de ideologische trekken van de tweede golf feministen. In en vanuit de internetcultuur opereren de zogenaamde cyberfeministen en de grrls. Zij spelen met identiteit en verwachten veel van de techniek en de nieuwe media als het gaat om de verdere emancipatie van vrouwen. Er is geen sprake van een duidelijke agenda, behalve bij de ecofeministen, die de link leggen tussen vrouwenonderdrukking en verwaarlozing van de aarde. Het ecofeminisme vindt veel weerklank bij christenfeministen. Zorg voor de schepping en spiritualiteit zijn de aansprekende thema’s.
Auteur
Jonneke Bekkenkamp [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Simone de Beauvoir, De tweede sekse (Utrecht 1965)
Joke Kool-Smit, ‘Het onbehagen bij de vrouw’, De Gids (1967)
Adrienne Rich, Uit vrouwen geboren. Moederschap als ervaring en instituut (Amsterdam 1979)
Hedy d’Ancona, Annemarie Kloosterman en Maggy Groenwals-Froger (red.), Vrouwenlexicon. Tweehonderd jaar emancipatie van A tot Z (Utrecht 1989)