Politiek systeem, rustend op ultranationalistische beginselen.
De term stamt van het Latijnse woord fasces: een bundel roeden bijeengehouden door linten, waarin soms een bijl gestoken werd. Uit eerbetoon voor de hoogwaardigheidsbekleders van de Romeinse staat werden deze bundels voor hen uitgedragen. Met de keuze voor dit symbool drukte het Italiaanse fascisme drie kenmerken uit.
1. De staat stond centraal; het fascisme is per definitie een staatsleer.
2. De fascistische staat was een geleide democratie. De leiding berustte bij de Duce, die een absolute macht had.
3. Zoals de linten de takkenbundels samen hielden, zo ontleende de fascistische staat de samenhang aan het corporatisme, het streven naar staatsordening op grondslag van samenwerkende corporaties. Mussolini streefde naar het herstel van de grenzen van het oude Romeinse Rijk, met de Middellandse zee als mare nostrum.
Het Italiaanse fascisme onderscheidt zich op drie punten van het Duitse nationaal-socialisme:
a. Het is een staatsleer, en als zodanig niet principieel antisemitisch.
b. Het grijpt terug op het rooms-katholieke en Romeinse verleden.
c. Het gaat uit van de middeleeuwse standenmaatschappij, waarbij de gilden (de corporaties) centraal staan. Na de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog weigerden socialisten en communisten te aanvaarden dat de gruwelen van het Derde Rijk gepleegd waren in naam van een vorm van socialisme. Daarom gebruikte men het woord fascisme als overkoepelend begrip.
Nu heeft dat woord de oorspronkelijke betekenis verloren, en wordt het gebruikt als negatieve aanduiding, soms ook van het communisme. Voor zover er in ons land aanhangers waren van dit fascisme, waren deze vooral te vinden in het katholieke zuiden. Er waren vele fascistische groeperingen die elkaar fel bestreden en die het niet verder brachten dan tot splintergroepen.
Auteur
Jan Ridderbos [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.A. de Jonge, ‘Het fascisme en nationaal-socialisme’, in: P. Luykx & N. Bootsma (red.), De laatste tijd. Geschiedschrijving over Nederland in de 20e eeuw (Utrecht 1987)