Het maken van onderscheid met als doel of gevolg: ‘dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt teniet gedaan of aangetast.’
Deze omschrijving uit het Wetboek van Strafrecht is ontleend aan het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1966. Dit verdrag is een uitwerking van de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948. Bij de parlementaire behandeling van artikel 1 van de Grondwet omschreef minister W.F. de Gaay Fortman in 1975 discriminatie als: een ander in aspecten van zijn menszijn behandelen als onvolwaardig. Artikel 1 van de Grondwet verbiedt discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook. Het verbod richt zich in de eerste plaats tot de overheid, maar het is ook van belang voor de verhouding tussen burgers onderling.
Het discriminatieverbod kan grenzen stellen aan de vrijheid van godsdienst. Het evangelisatie-echtpaar Goeree mocht zich bijvoorbeeld niet discriminerend uitlaten over homoseksuelen (Hoge Raad 2 februari 1990). Het Wetboek van Strafrecht (artikelen 137c e.v.) verbiedt belediging en het aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid. Een op zichzelf beledigende vergelijking van homoseksuelen met dieven vond de Hoge Raad niet strafbaar, omdat de vergelijking verband hield met de geloofsopvatting van de verdachte (Hoge Raad 9 januari 2001).
Auteur
A.K. Koekkoek [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Tj. Gerbranda, M. Kroes, Grondrechten evaluatieonderzoek. Eindrapport (Leiden 1993)
T.E. Rosier, Vrijheid van meningsuiting en discriminatie in Nederland en Amerika (Nijmegen 1997)