Staatkundige en maatschappelijke ordening door middel van bedrijfs- of beroepsgemeenschappen (corporaties).
De katholieke sociale leer verdedigde tegenover het liberalisme en het socialisme een corporatieve ordening van de samenleving. Volgens de encycliek Quadragesimo anno omvatte een corporatie alle personen die in een bepaalde bedrijfstak of beroepsgroep werkten. Zij werd een gemeenschap genoemd, omdat zij gebaseerd was op onderlinge verbondenheid en niet op een oppervlakkige organisatie tussen werknemers en werkgevers die zich primair lieten leiden door hun groepsbelangen. De leden van een corporatie behoorden het belang van een gehele bedrijfstak voor ogen te houden. Men wilde aan bedrijfstakken een publiekrechtelijk karakter toekennen, die (binnen grenzen van de wet) verordenende bevoegdheden konden uitoefenen, bijvoorbeeld het afsluiten van arbeidsovereenkomsten. In de katholieke sociale leer werd die corporatieve ordening niet alleen toegepast op het bedrijfsleven, maar ook op andere maatschappelijke organisaties die hun eigen rechten, vrijheden en verantwoordelijkheden moesten kunnen realiseren.
Later, naar aanleiding van het corporatisme als politiek systeem in het fascistische Italië van Mussolini, schrok men terug voor het gebruik van het woord corporatie. In dat fascistische systeem functioneerden corporaties als verlengstukken van de staat en waren zij ondergeschikt aan de staat die corporatieve vrijheden beperkte. In de katholieke visie was echter geen sprake van een staatscorporatisme, maar verdedigde men een corporatieve ordening van de samenleving van onderop. In Quadragesimo anno werd zelfs nadrukkelijk gewaarschuwd tegen het staatscorporatisme. Voor het oplossen van het probleem welke taken door maatschappelijke organisaties dan wel door de overheid behoorden te worden uitgevoerd, wordt in de katholieke sociale leer het beginsel van subsidiariteit gebruikt.
Auteur
H.E.S. Woldring [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P.J.M. Aalberse, ‘Ordening van beroepsstanden’ (1899), in F. van Goethem e.a., De corporatieve gedachte bij de katholieke sociologen in de XIXe eeuw (Brussel/Utrecht 1941), 220-223
W. Albeda en M.D. ten Hove, Neocorporatisme. Evolutie van een gedachte, verandering van een patroon (Kampen 1986)